ArchiefArtikelenZoeken
01.02.02

J.J. Dozy (93) herbeleeft expeditie 1936

Door: Henk Donkers

Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland

Nederlandse expedities staan weer volop in de belangstelling. Zo bereidt het KNAG daarover voor 2003 een grote tentoonstelling voor en was afgelopen maanden in het Tropenmuseum de tentoonstelling Race naar de Sneeuw te zien. Deze werd geopend door Jean Jacques Dozy. Hij bereikte in 1936 samen met Anton Colijn en Frits Wissel als eerste ‘de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland’ ofwel de toppen van het Carstenszgebergte in het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea. Colijn stierf in 1945 in een jappenkamp en Wissel, die ook de Wissel-meren ‘ontdekte’ in een hooggelegen vallei in het Maoke-gebergte, overleed in 1999 op 92-jarige leeftijd. De 93-jarige Dozy is waarschijnlijk de oudste nog levende Nederlandse ontdekkingsreiziger sinds vorig jaar Paul Julien vlak voor zijn 100ste verjaardag overleed. Met stapels boeken, kaarten en fotoalbums onder handbereik herbeleeft Dozy de Carstensz-expeditie.

Dozy woont met zijn vrouw, met wie hij al 64 jaar getrouwd is, in een comfortabele seniorenflat in Den Haag. Hij is nog helder van geest en praat levendig. Af en toe kijkt hij even weg als hij de beelden van de expeditie voor de geest probeert te halen. Als ze gevonden zijn flikkeren zijn ogen op en kijkt hij je weer aan. Als geoloog in dienst van Shell is hij behalve in Nieuw- Guinea ook door de rimboe van Borneo, Sumatra, Ecuador, Guatemala, Venezuela en Perzië getrokken. Dat waren ware ontdekkingstochten. Dozy: ‘Je ging voor drie, vier maanden de wildernis in. Niemand wist waar je precies zat, ook je kantoor niet. Dat was toen de normale routine. Tegenwoordig komen geologen nauwelijks nog in het veld, laat staan dat ze zich ergens een weg doorheen moeten kappen. Ze doen alles per helikopter en zijn in het weekend thuis.’ Toen Dozy vanwege zijn tropenjaren al op 58-jarige leeftijd met pensioen mocht bij Shell ging hij het niet rustiger aan doen, maar werd hij hoogleraar geologie in Delft. Pas in 1980, toen hij 72 was, ging hij echt met pensioen. Maar Dozy geeft nog steeds lezingen, onder andere over de door hem ontdekte Erts- en Grasberg, een van de grootste goud/kopermijnen ter wereld. Wie kwam er op het idee om een expeditie naar het Carstenszgebergte te ondernemen?
‘De grote motor achter de expeditie was Anton Colijn, de zoon van premier Hendrik Colijn, die kapitein in het Oost-Indisch leger was geweest en een belangrijke rol gespeeld heeft bij de vroege exploratie van Nieuw- Guinea. Anton was directeur van de Nederlandsche Nieuw-Guinea Petroleum Maatschappij, de NNGPM, een samenwerkingsverband van Shell, Esso en Caltex. In 1935 kreeg die maatschappij een exploratieconcessie van 10 miljoen hectare voor de vlakte ten zuiden van het Carstenszmassief. Van sommige delen van Nieuw Guinea bestonden al kaarten. Zo herinner ik me een kaart van Vogelkop met daarop een kruisje, waarbij geschreven stond: ‘Hier werd een belastingambtenaar opgegeten’. Je had toen nog antropofagen, menseneters. In de gevangenis droegen zij een rode lendendoek, de gewone misdrijvers hadden een bruine.’ ‘Omdat er van het nieuwe concessiegebied geen kaarten bestonden, besloot men het dekkend vanuit de lucht te gaan fotograferen. Dat moest gebeuren met een Sikorsky-amfibievliegtuig dat kon landen op meren en rivieren. In 1936 kwam dat toestel per boot aan. De Sikorsky moest foto’s gaan maken van 4.000 meter hoogte, maar was een verdomd trage klimmer. Om uit te proberen of hij voldoende hoog kon komen, maakte Colijn met de piloot een zogenaamde plafondvlucht. Toen ze boven de wolken kwamen, zagen ze de Carstensztoppen. Colijn wilde daar meteen heenvliegen. Men had altijd vanuit het zuiden en noorden tegen de besneeuwde flanken aangekeken en gedacht dat het om één bergmassief ging. Colijn ontdekte dat er nog een hele bergwereld tussenin lag met twee gletsjers en twee dalen. Ze zagen toen ook de Carstenszweide. Toen Colijn dit aanschouwd had, wist hij waar hij heen wilde. Want hij was een fanatiek alpinist. Colijn had haast, want er zaten kapers op de kust.’

Eerdere expedities waren mislukt. Welke lessen trokken jullie daar uit?
‘Eerdere expedities zoals die van de Engelsman Wollaston die militaire dekking kreeg van de Nederlandse luitenant Van de Water, waren te zwaar uitgerust en misten alpiene ervaring. Zij kwamen in 1913 tot aan de voet van de gletsjer, maar konden niet verder door gebrek aan eten en een goede uitrusting voor ijsbeklimmingen. Colijn koos voor een lichte expeditie zonder honderden dragers en zonder militaire dekking. Hij nam slechts acht Dajaks mee als dragers en daarnaast twee ervaren alpinisten, Frits Wissel en mij. Colijn liet Wissel vanuit de kustvlakte af en toe een sweep langs de bergen maken. Zo kregen we een beeld van de terreingesteldheid, konden we plaatsen uitkiezen voor kampen en wisten we waar menselijke nederzettingen waren. Met de foto’s die Wissel met een overboordcamera gemaakt had konden we een opmarsroute bepalen.’

Waarom namen jullie Dajaks uit Borneo mee?
‘Er werkten veel Dajaks bij de NNGPM. Ze zijn zeer betrouwbaar, goeie bosmensen en prima dragers. Als er na exploraties rapporten geschreven moesten worden was er een tijdelijk surplus aan Dajaks. Daar heeft Colijn er acht van uitgekozen. Zij vonden het een eer om mee te mogen. Sneeuw hadden ze nog nooit gezien.’

Als eerdere expedities honderden dragers nodig hadden en nog niet genoeg eten mee konden nemen, hoe konden jullie het dan redden met acht Dajaks?
‘Eerdere expedities moesten terug, omdat het voedsel van te ver aangevoerd moest worden. Daarom lieten wij de Sikorsky onderweg op twee plaatsen vivres afwerpen, kisten met ieder twee petroleumblikken die gevuld waren met voedsel. De vivres werden afgeworpen bij het Basiskamp dat op 1.500 meter hoogte lag, en bij het Alpiene Kamp dat we op de Carstenszweide op 3.800 meter vestigden. Vandaaruit moesten de Dajaks de vooruitgeschoven bivaks bevoorraden. Zo konden wij met minder dragers toe. Daarnaast namen we zelf natuurlijk voedsel mee en werden we van achteruit ook over land bevoorraad. We konden immers niet helemaal vertrouwen op de afgeworpen vivres. Misschien konden we ze niet terugvinden of vielen ze te pletter. Geld voor echte parachutes hadden we niet. Daarom maakten we zelf parachutes van lappen goedkope Japanse katoen. Daar konden we later tenten van maken.

Waarom wilde u graag mee? Wat trok u aan?
‘Als geoloog was ik ongelooflijk nieuwsgierig hoe het gebergte in elkaar zat. Daar was nog niets van bekend. Er waren alleen wat rolstenen die door de rivieren vanuit de bergen meegevoerd waren. Op grond daarvan kon je iets maar niet veel zeggen over de samenstelling van het bergland.’

Wie financierde de expeditie?
‘Het was grotendeels een privé-onderneming die overigens op het laatste moment nog bijna werd afgeblazen. Wij voerden de expeditie uit in onze vakantie van twee maanden, dus buiten werktijd. Colijn had zijn bazen bij Shell in Den Haag daarover dan ook niet ingelicht. Toen ze er lucht van kregen protesteerden de Amerikanen: wij zijn niet geïnteresseerd in jullie hoge bergen, zeiden ze. Toen Colijn hen ervan wist te overtuigen dat het de NGPM bijna niets zou kosten, mochten de Dajaks mee en konden we het vliegtuig één dag lenen om de vivres af te werpen.’

Nu de tocht zelf.
‘We zijn op 29 oktober vertrokken. Eerst roeiden we in zeven prauwen twee dagen de Newerip-rivier op, tot de kustvlakte overgaat in een zwak hellend plateau met zwaar beboste, diepe insnijdingen. Daar gingen we te voet verder over een pad dat Van Schilfgaarde, de leider van een NNGPM-verkenningsgroep in dat gebied, gekapt had met hulp van kustpapoea’s. Op een paar plekken had hij over de rivier een overhaal, een soort kabel maar dan van rotan, gespannen of een hangbrug aangelegd, ook van rotanstrengen. We konden dus flink opschieten in het begin.’ ‘Na zes dagen naderden we een nederzetting van Kapaukoes, berg-Papoea’s, op 1.890 meter hoogte. Zij hadden ons natuurlijk allang aan zien komen. Toen we hun nederzetting zagen, hebben we kamp gemaakt. We hadden met Wissel afgesproken dat hij de volgende dag over zou vliegen om te kijken of alles goed ging. Wij zouden een gele seinlap uitleggen als we goed ontvangen waren. ’s Ochtends zijn we uit het bos te voorschijn gekomen. Voor de kampong stonden de Papoea’s met pijl en boog in de aanslag. We wisten niet wat we moesten doen. Gek, we hadden alles goed voorbereid behalve zo’n confrontatie. Opeens is Colijn toen luid zingend en roepend naar voren gesprongen en was het ijs gebroken. Ze ervoeren ons niet als bedreigend. We waren ook ongewapend en hadden geen militaire dekking bij ons. Voor de zekerheid hadden we wel een pistool meegenomen. We zijn heel hartelijk ontvangen, ze pakten onze handen vast op glibberige paadjes en wezen op gladde wortels... We hebben de seinlap uitgelegd. Wissel is toen meteen teruggevlogen om de vivres op te halen en te droppen. Ze daalden statig uit de hemel neer. Op twee na zijn ze, met hulp van de Kapaukoes, alle twintig teruggevonden. Als beloning kregen ze kralen, lappen katoen en ijzeren messen. Meteen daarna heeft Wissel een tweede lading vivres opgehaald en afgeworpen op de Carstenszweide. Daarna is hij ons achterop gekomen.’ ‘Intussen probeerde ik een weg te vinden en een pad te hakken door de nauwe, natte, steile kloof die uitkomt op de Carstenszweide. Daarbij moesten we een hoogteverschil van 2300 meter overbruggen. Tegenwoordig loopt er een weg naar boven en is er een kabelbaan voor het personenvervoer. Toen was de begroeiing zeer dicht, alles was bedekt met dikke wortels en overwoekerd met handendik druipend mos, overal stortte zich ijskoud water naar beneden, de topografische situatie was erg onoverzichtelijk. Door de korte dagen en doordat het op het eind van de ochtend altijd begon te regenen, kostte het ons twee volle weken om uit dit dal op de Carstenszweide op 3.800 meter hoogte te komen. Vooral het laatste stuk, een oude gletsjerkom met steile wanden en ijskoude watervallen, kostte veel moeite. De Carstenszweide bleek overigens ook geen mooie grazige weide maar een moerassig gebied met enorme graspollen en boomvarens.’

Daar heeft u een ontdekking gedaan met verstrekkende gevolgen...
‘Bij het klimmen zag ik een zwarte muur met groene en blauwe vlekken. Als geoloog weet je dan dat er kopererts zit, zeker als je daarna keien stukslaat en daar chalcopyriet in aantreft. De twee vreemde bergen bij de Carstenszweide, die ik toen Ertsberg en Grasberg genoemd heb, bleken enorme koperertsconcentraties te zijn. Het Carstenszmassief bestaat uit kalksteen. In de laatste fase van de plooiing heeft zich vloeibaar magma naar boven gedrongen dat reageerde met de gesteenten. Tijdens de afkoeling zijn de mineralen uitgekristalliseerd en zijn er dikke ertsafzettingen ontstaan. Die zijn later bloot gelegd, onder andere door gletsjers. Ik verwachtte toen niet dat ze ooit ontgonnen zouden worden, omdat ze honderd kilometer uit de kust lagen en op 3.800 meter hoogte. Nu ligt er een van de grootste goud/kopermijnen ter wereld. De Ertsberg is al helemaal afgegraven en veranderd in een diep gat; de Grasberg is deels afgegraven en is een van de grootste goud/koperreserves ter wereld. Boven wordt het erts vermalen; vermengd met water wordt het daarna als slurry door een pijpleiding naar de kust vervoerd en geëxporteerd.’

Hoe bent u van de alpiene Carstenszweide op de top gekomen?
‘We kregen bovenop veel last van wat we ‘Carstenszweer’ noemden. De enorme hoeveelheden water die in de moerassige tropische kustvlakte verdampen, condenseren in de loop van de ochtend en worden het Carstenszmassief opgestuwd. Tegen 10 uur 's ochtends trekt daarboven alles dicht en begint het te regenen, te hagelen of te sneeuwen. 's Morgens vroeg is de sneeuw bevroren, maar tegen tienen is de bovenste laag pap geworden waar je soms tot je middel inzakt.’ ‘Er zijn verscheidene toppen. Welke de hoogste is, wisten we niet. Wissel had dat tijdens zijn luchtverkenningen niet kunnen bepalen. De ene keer dacht hij dat de Ngga Poeloe de hoogste was, de andere keer de Oost- Carstensztop of de Carstenszpiramide. We zijn eerst op de Oost-Carstensztop geweest, in de mist op het eind van een ijskam. Daarna zijn we de Ngga Poeloe opgegaan, die vanaf de Oost-Carstensztop hoger leek en ook geheel met sneeuw bedekt was. Op 5 december zijn we om 3 uur 's nachts bij helder maanlicht vertrokken; om 9 uur waren we boven, net voordat alles dichttrok. Ik had vier hoogtemeters meegenomen om de hoogte te bepalen, maar daarvan waren er drie geknapt. Met de laatste heb ik de hoogte bepaald op 5.030 meter.’ ‘Op de top van de Ngga Poeloe dachten we dat de kale Carstenszpiramide toch hoger was. Vier keer hebben we geprobeerd die te bereiken, maar daar zijn we niet in geslaagd vanwege het slechte weer, de mist, de steen- en ijslawines en de grilligheid van de berg met zijn steile kalkrichels en scherpe karren waaraan je je vingers openhaalt, ook al heb je dikke leren handschoenen aan. Toen we door een sneeuwstorm met onweer overvallen werden, gingen onze haren recht overeind staan door de statische elektriciteit en begon alles wat we aan metaal bij ons hadden te zingen. Toen zijn we ermee opgehouden.’

Was dat geen grote teleurstelling?
‘We vonden het natuurlijk erg jammer, maar we wilden wel levend terugkeren. Achteraf is overigens gebleken dat we toen wel degelijk op de hoogste top gestaan hebben. In de jaren zeventig hebben Australische expedities namelijk vastgesteld dat er sinds 1936 zoveel sneeuw en ijs gesmolten is dat de Ngga Poeloe 45 meter lager geworden is. Omdat de Carstenszpiramide geen sneeuwkop heeft en even hoog gebleven is, moet de Ngga Poeloe destijds zo'n twintig meter hoger geweest zijn dan de Carstenszpiramide. De Australiërs bepaalden de hoogtes van de Ngga Poeloe en de Carstenszpiramide op respectievelijk 4.862 en 4.884 meter. Ze kwamen lager uit dan ik omdat destijds nog niet bekend was welke correcties je daar precies moest toepassen. De Australiërs hebben al mijn hoogtemetingen nagemeten en konden precies de miswijzingen vaststellen.’

In atlassen staat nog steeds uw hoogtemeting van 5.030 meter vermeld...
‘Is dat zo? Dat vind ik natuurlijk wel mooi. Men vindt een vijfduizender zeker interessanter staan.’

In 1991 stond bergbeklimmer Bart Vos op beide toppen. Beide keren schat hij de andere berg hoger in. Voor hem zijn de beklimmingen uitstapjes.
‘Er ligt nu veel minder sneeuw en ijs, het weer is veel beter en de routes zijn bekend. Op de Carstenszpiramide zitten nu zelfs haken om je touw aan vast te maken. In ’36, zo hebben de Australiërs berekend, was er nog 13 km2 ijs; nu nog maar 4 km2. De Merengletsjer is bijna verdwenen. Doordat er minder ijs is, is er minder condensatie en minder mist en sneeuw. Vanwege de bewolking kon de Sikorsky vroeger gemiddeld maar een uur per dag luchtfoto’s maken; nu kan men bijna dagelijks de hele dag met helikopters naar boven vliegen.’

Minder sneeuw en kortere gletsjers; is het broeikaseffect ook op Nieuw-Guinea merkbaar?
‘Flauwekul. Wij kwamen in ’36 al jonge eindmorenen tegen uit de periode 1830-1850. Toen was er geen sprake van een broeikaseffect. Er is al heel lang sprake van een natuurlijke klimaatverandering. Ik ben allerminst tegen de reductie van de CO2-uitstoot, maar we moeten niet de illusie hebben dat we daarmee de temperatuurstijging kunnen tegenhouden.’

Bent u nog wel eens teruggeweest?
‘Ja, vier keer; de laatste keer in 1994.’

De komst van mijnbouwgigant Freeport in 1967 heeft grote gevolgen gehad voor de Papoea’s en het milieu. Hoe kijkt u achteraf terug op uw ontdekking van de Erts- en Grasberg? Vindt u uw ontdekking achteraf een zegen?
‘Natuurlijk. De mijn levert veel deviezen op. Er zijn wegen en bruggen aangelegd. De Papoea’s die bij de mijn wonen hebben nu gezondheidszorg en onderwijs. Freeport gaat heel behoorlijk met het milieu om. Mijnafval en zand gingen altijd de rivier in. Toen de mijn klein was, kon de rivier het gemakkelijk aan. Nu de afvoer tien keer zo groot geworden is bouwt de rivier een delta op waar de rivier het plateau verlaat. Omdat het oude moerasbos er aan gaat, worden er nu dijken aangelegd om de uitwaaiering van de delta te beperken. Het bos kan zich daardoor herstellen. Freeport heeft een goed Environmental Monitoring Lab dat de milieueffecten goed in de gaten houdt.’

Bij Freeport werken zo’n zesduizend mensen, maar slechts een paar honderd Papoea’s. Zijn de Papoea’s geen tweederangsburgers geworden in hun eigen land?
‘Het is logisch dat de mijnbouwonderneming goed opgeleide mensen wil. De ellende is dat zo’n bedrijf Papoea’s aantrekt die daar rondhangen en van afval leven. De Indonesiërs zijn zo stom geweest om een bergpapoeastam op te pakken en in de vlakte neer te zetten. De pijpleiding is een paar keer gesaboteerd. Maar is dat de schuld van de mijnbouwmaatschappij?’

Literatuur

• Colijn, A.H. 1937. Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland. De bestijging van het Carstenszgebergte in Nederlandsch Nieuwe Guinee. Scheltens & Giltay, Amsterdam.

• Dozy, J.J. 1938. Eine Gletscherwelt in Niederländisch-Neuguinea, Zeitschrift für Gletscherkunde 26: 45-51.

• Dozy, J.J. 1939. Geological Results of the Carstensz Expedition 1936, Leidsche Geologische Mededeelingen, Deel XI, Afl. 1, p.68-131.

• Quarles van Ufford, A. & P. Sedgwick 1998. Recession of the Equatorial Puncak Jaya Glaciers 1825 to 1995. Irian Jaya (Western New Guinea) Indonesia. Zeitschrift für Gletscherkunde 34: 131-140

• Hope, G.S., Peterson, J, Radok, U., Allison, I. 1976. The Equatorial Glaciers of New Guinea, A. Balkema, Rotterdam.

• Vos, B. 1992. Naar het sneeuwgebergte. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.

 


Ontmoeting met de Kapaukoes volgens Anton Colijn
Colijn geeft in zijn expeditieverslag Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland de volgende kleurrijke beschrijving van de ontmoeting met de Kapaukoes (die tegenwoordig Amungme genoemd worden). De beschrijving wijkt af van Dozy’s herinneringen. Hoe betrouwbaar zijn expeditieverslagen en herinneringen? ‘Zij stonden daar, met pijl en boog gewapend, dicht bijeen, op een als dansvloer ingericht plateautje, en we konden duidelijk zien, dat ze weifelden, of ze de bogen zouden spannen en op ons aanleggen, of niet. Op dat beslissende oogenblik kwam de Sikorsky als een groote vogel luid ronkend boven hun hoofden cirkelen. We begrepen, dat we van deze gelegenheid gebruik moesten maken en met versneld tempo ging het op hen af. Ze waren zóó afgeleid door dien wonderlijken, luid brullende grooten vogel, dat wij in hun midden stonden, voor ze het zelf wisten. Dan scheen het ineens tot hen door te dringen, dat we niet met vijandige bedoelingen kwamen, dat we vrienden waren, en daar brak een oorverdoovend gejodel los, dat nauwelijks meer menschelijk te noemen was, doch veel meer weg had van hondengejank.[...] wij wisten op dit oogenblik niets beters te doen, dan het gejank, zoo goed en kwaad als dit met onze Hollandsche kelen ging, over te nemen en ons, gewapend met ijspickel en ander gereedschap, in den inmiddels aangevangen wilden dans te storten. Als gekken sprongen wij daar zoo'n tijdje rond in innige omhelzing met deze primitieve knapen, totdat we eindelijk uitgeput en volkomen buiten adem neerzegen. Deze dolzinnige hospartij was vermoeiender geweest dan zeven dagmarschen bij elkaar...’


Ontdekking en bedwinging van de Carstensztoppen
Op 16 februari 1623 zeilde de Nederlandse zeevaarder Jan Carstensz op 5°14' zuiderbreedte langs de zuidkust van Nieuw Guinea. Hij zag daar een ‘overhoogh geberghte’ dat ‘op vele plaatsen wit met snee bedect lach’. Sneeuw zo vlak bij de evenaar vond men in die tijd (en lang daarna) een vreemd verschijnsel. Colijn, Dozy en Wissel bedwongen in 1936 als eersten de Ngga Poeloe. Het duurde echter nog tot 1962 tot de Carstenszpiramide bedwongen werd door de Oostenrijker Heinrich Harrer, de man die later bekend werd door de film Seven years in Tibet (met Bratt Pit in de hoofdrol als Harrer).


Wegsmeltende gletsjers op Nieuw-Guinea
Tijdens de laatste ijstijd was de ijskap op Nieuw-Guinea 900 km2 groot. De uiteinden van de gletsjers, die toen tot 15 kilometer lang waren, bevonden zich toen op 1.700 meter hoogte. Een eeuw geleden waren er op heel Nieuw-Guinea nog vier berggebieden met ijskappen, nu alleen nog in het Carstenszmassief rond de Puncak Jaya (Carstenszpiramide). Uit onderzoek is gebleken dat de Merengletsjer en de Carstenszgletsjer tussen 1875 en 1994 respectievelijk 4,4 en 2,4 kilometer korter geworden zijn. Dat betekent dat ze zich met een gemiddelde snelheid van respectievelijk 37 en 20 meter per jaar hebben teruggetrokken. De totale ijskap is gekrompen van 13 km2 in 1936 tot 4 km2 in 1994. In 1936 functioneerde de hele ijskap nog als een echte gletsjer (‘stromende’ ijsmassa); in 1994 was nog slechts in twee van de vijf overgebleven ijsvelden sprake van bewegend ijs. Door de stijgende temperatuur komt ook de hoogtelijn waarop de sneeuw blijft liggen (= 0 graden isotherm) steeds hoger te liggen. Wanneer zal het laatste ijs dat op de 4862 hoge Ngga Poeloe ligt, verdwenen zijn? Op basis van veranderingen in de omvang en dikte van de ijsvelden is berekend dat de sneeuwlijn tussen 1875 en 1972 zo’n 80 meter per eeuw naar boven is opgeschoven. Observaties in 1972 en 1995 wezen uit dat de sneeuwlijn in die periode is opgeschoven van 4580 meter naar 4640 meter, wat een gemiddelde opschuiving van 260 meter per eeuw betekent. Als men vanuit de eerste berekening extrapoleert is al het ijs op Nieuw- Guinea over 350 jaar (in 2320) verdwenen; vanuit het tweede uitgangspunt is dat 90 jaar ofwel 2090. Hoe snel de gletsjers verdwijnen is niet alleen afhankelijk van de stijgende temperaturen. Ook neerslag, instraling, lichtweerkaatsing (albedo), vochtigheid en de topografie spelen een rol.

 

 


Bestanden:
Dozy2_01.doc

Printversie