WinkelNederlandse Geografische Studies (NGS)

Nederlandse Geografische Studies (NGS)



In de reeks Nederlandse Geografische Studies (NGS) vind u wetenschappelijke publicaties over de verschillende geografische deeldisciplines. De reeks is een gemeenschappelijke uitgave van de Nederlandse geografische faculteiten en het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap.

Bestelinformatie
Voor binnenlandse bestellingen kunt u terecht bij het KNAG-bureau: KNAG/NGS, Postbus 805, 3500 AV Utrecht, (t) 030-7115 110, (F) 030-7115 199, info@remove-this.knag.nl. U kunt ook gebruik maken van het Nederlandse bestelformulier. U krijgt de gevraagde NGS, inclusief factuur, toegestuurd door de betreffende faculteit.

Bij buitenlandse bestellingen worden uitsluitend betalingen per credit card geaccepteerd. U dient daarom gebruik te maken van het Engelstalige bestelformulier.

 Overview of English NGS-titles

Besprekingen door Ben de Pater

240. Leo de Haan en Piers Blaikie, eds., Looking at maps in the dark. Amsterdam: AGIDS, FRW, UvA/Utrecht: KNAG. 165 p., f 40.
De ondertitel maakt beter dan de hoofdtitel duidelijk waarover deze NGS gaat: Directions for geographical research in land management and sustainable development in rural and urban environments in the Third World. De negen bijdragen tot de bundel zijn van origine de papers die op het IGU-congres in Den Haag, zomer 1996, zijn gepresenteerd. De befaamde geograaf Piers Blaikie, verbonden aan de universiteit van East Anglia, schreef een stevige inleiding: Paradigms for environment and development. Hij behandelt drie visies op het vraagstuk van milieu en ontwikkeling: de klassieke (top-down, door de staat gestuurd), de neoliberale (centrale plaats voor de markt) en de neo-populistische (vooral populair bij NGO's). Daarnaast staan er empirische case-studies in, over rurale regio's in Benin, Tanzania, Marokko, Brazilië, Kenya, Australië en over afvalverwerking in stedelijk Maleisië. Dat laatste paper is het enige over de 'urban environment'. De slotbeschouwing verklaart de hoofdtitel: het verkennen van de weg naar de toekomst van de ontwikkelingsgeografie is als reading maps in the dark.

241. S.G.E. Gravensteijn, S. van Griensven en M.C. de Smidt, eds., Timing global cities. Utrecht: KNAG/VUGS. 117 p., f 39.
Afgelopen herfst bestond de Vereniging van Utrechtse Geografie Studenten - beter bekend als de VUGS - 75 jaar. Ter gelegenheid hiervan werd een ambitieus congres georganiseerd over een al even ambitieus onderwerp: wereldsteden. De organisatoren slaagden er in vooraanstaande Engelstalige geografen naar Utrecht te halen (Paul Knox, Chris Hamnett, Nigel Thrift, Leslie Budd, Saskia Sassen en Peter Hall), terwijl uit eigen land Jan van Weesep en Herman van der Wusten present waren. Hun lezingen zijn verzameld in deze NGS; nadruk ligt op de economische aspecten, maar de sociale, bestuurlijke en culturele facetten van wereldsteden komen eveneens aan de orde (zie ook het artikel over dit congres in Geografie, december 1997). Congresvoorzitter Van Weesep legt in zijn bijdrage verbanden tussen `the global' en `the local': veel lokale verschijnselen in de grote stad zijn slechts te begrijpen door relaties te leggen met wat zich op mondiaal niveau afspeelt.

242. H.J. Scholten, R.J. van de Velde, J.A.M. Borsboom van Beurden, Ruimtescanner: informatiesysteem voor de lange termijnverkenning van ruimtegbruik. Utrecht/Amsterdam: KNAG/Faculteit Economische Wetenschappen en Econometrie, VU. 151 p., f 40.
Deze bundel, waaraan 13 auteurs medewerkten, licht de grondslagen en toepassingsmogelijkheden van de Ruimtescanner toe. De Ruimtescanner is een GIS-georiënteerd ruimtelijk model om lange termijn veranderingen in het ruimtegebruik te simuleren op grond van beslisregels die uit historische trends kunnen worden afgeleid. De simulatieresultaten bestaan uit gedetailleerde kaartbeelden waarin gegeven de veronderstellingen de meest kansrijke ruimtelijke functies per gridcel (500 keer 500 meter) zijn afgebeeld. Denkbare ontwikkelingen in de toekomstige verdeling van het ruimtegebruik worden zo letterlijk in kaart gebracht. Het instrument is landsdekkend toepasbaar. Dat wil zeggen dat ruimteclaims voor heel Nederland kunnen worden `doorvertaald' naar de mogelijke veranderingen in het ruimtegebruik binnen Nederland. De Ruimtescanner is een initiatief van een projectgroep van ruimtelijke wetenschappers, werkzaam bij RIVM en RPD, onderzoeksinstellingen en adviesbureaus. De digitale versie van het boek inclusief kaarten in kleur (die staan overigens ook in het boek) is te vinden op: http://www.feweb.vu.nl/gis/

243. Henk M.G. Kruse, Deformation of a river dyke on soft soil. Utrecht: FRW/KNAG. 207 p., f 45.
De meeste Nederlandse polders bestaan uit zogenaamde slappe gronden: humeuze klei en veen. De hoge samendrukbaarheid van humeuze klei en veen leidt tot een voortdurende daling van de rivierdijken. Bovendien doen slappe gronden ook afbreuk aan de stabiliteit van de dijk. Bij hoog water zijn grote horizontale vervormingen in de dijk en het aangrenzende binnendijkse gebied het gevolg. Daling van de hoogte van rivierdijken en horizontale vervormingen maken de dijk minder degelijk.
Henk Kruse heeft in zijn proefschrift het vervormingsgedrag onderzocht aan de hand van een karakteristieke rivierdijk langs de Lek bij Schoonhoven. Hij stelt een conceptueel vervormingsmodel op dat hij verder ontwikkelt met behulp van resltaten uit stabiliteits- en vervormingsberekeningen. Wie sterkere dijken wil, moet de horizontale kracht verminderen, de opdrijfzone verkleinen en de stijfheid van slappe lagen aan de binnenzijde van de dijk vergroten.

244. I.R. Bowler, C.R. Bryant, P.P.P. Huigen, eds., Dimensions of sustainable rural systems. Groningen/Utrecht: FRW, RUG/KNAG. 262 p., f 49.
Van een congresbundel is moeilijk een eenheid te maken. De redacteuren kampen in de regel met papers, die qua onderwerp, lengte en niveau zeer verschillen. Sommige sprekers hebben hun hele hart gelegd in een omvangrijk en gepassioneerd betoog, anderen leveren een plichtmatig stukje in. Dimensions of sustainable rural systems is zo'n bundel, waarin twintig papers zijn verzameld van het IGU-congres in Den Haag, 1996. Toch zullen geïnteresseerden zeker artikelen van hun gading vinden. Het boek bestaat uit vier delen. Deel I bevat conceptuele beschouwingen rond duurzame ontwikkeling en rurale gebieden, deel II case-studies over duurzame landbouw. Deel III bundelt empirische analyses van de rol van instituties (waaronder overheden) bij de ontwikkeling van duurzame rurale systemen. Deel IV bespreekt rurale gemeenschappen, in het bijzonder in Australië. In de nabeschouwing formuleren de redacteuren zeven conclusies. Zo zijn duurzame rurale systemen alleen mogelijk wanneer er een goede integratie met urbane systemen plaatsvindt. Ook wijzen ze op de risico's: rurale gebieden zijn deel van de wereldeconomie, die zich onvoorspelbaar gedraagt.

245. A.C.D. Ertsen, Ecohydrological response modelling. Predicting plant species response to changes in site conditions. Utrecht: FRW/KNAG. 145 p., f 34,50.
Veel halfnatuurlijke terrestrische ecosystemen zijn aangetast door verdroging en eutrofiëring. Momenteel tracht men deze systemen weer te herstellen. Maar hiervoor zijn ecohydrologische modellen nodig waarmee de effecten van potentiële herstelmaatregelen op de soortensamenstelling van de vegetatie geschat kunnen worden. Met deze modellen kan voor verschillende scenario's de natuurwinst worden afgewogen tegen de bijbehorende kosten.
Ecohydrologische modellen zijn er in soorten en maten. In haar proefschrift richt Doesjka Ertsen zich op empirisch statische modellen (die via regressie-analyses het voorkomen van plantensoorten relateren aan gemeten standplaatscondities) en indicatie- of expertsystemen (gebaseerd op kennis van experts, zoals het model van de Duitse ecoloog Ellenberg). Haar empirische gegevens van vegetatie, bodemtype, bodemchemie, hydrologie, grondwaterchemie en beheer verzamelde ze op 524 onderzoekslokaties in Noord-Holland: kruidachtige plantengemeenschappen in graslanden, rietlanden, laagveenmoerassen, duinvalleien en kwelders.

246. Harry Blijenberg, Rolling Stones? Triggering and frequency of hillslope debris flows in the Bachelard Valley, southern French Alps. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 223 p., f 54,50.
In het natuurgebied Parc du Mercantour, in de Zuid-Franse Alpen, stroomt de Bachelard. In het dal van dit riviertje bevinden zich meer dan driehonderd puinstroomsystemen. Puinstromen ontstaan vaak tijdens hevige regenbuien. De infiltratiecapaciteit van de bodem wordt dan tijdelijk overtroffen en water wordt over de oppervlakte afgevoerd. Puin en water komen dan als één visceuze massa naar beneden. Blijenberg onderzocht in zijn proefschrift of de initiatie en herhalingsfrequentie van puinstromen konden worden gekwantificeerd op basis van neerslagkarakteristieken en morfologische en hydrologische kenmerken. Een deel van zijn gegevens verzamelde hij op 2000 meter hoogte, waar hij een afvoergoot plaatste. De afvoeren werden gemeten van een 30 meter lange en tien meter brede gully. Twee regenmeters registreerden de neerslag; een videocamera nam beelden van de gebeurtenissen. Ook voerde hij 351 regensimulaties uit, om het verband te kunnen bepalen tussen het optreden van puinstromen, waterafvoer over de oppervlakte en waterinfiltratie.

247. Tobias J. de Ligt, Werken in distribuerend Nederland. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 189 p., f 34,50.
Nederland wordt vaak gezien, in elk geval door ondernemend Nederland zelf, als een ideale lokatie voor distributiecentra van grote ondernemingen. Vooral Amerikaanse en Japanse multinationals hebben in ons land hun (Europese) distributiecentra. Dat Nederland minder populair is voor distributriecentra van Europese ondernemingen krijgt minder aandacht. In dit proefschrift onderzoekt Tobias de Ligt de (zoals de ondertitel luidt) 'locationele en functionele veranderingen in de distributiesector in West-Europa en de consequenties hiervan voor de werkgelegenheid in Nederland'. Zijn gegevens verzamelde hij door bij 45 in Nederland gevestigde electronica-producenten (13 Europese, 18 Amerikaanse en 14 Japanse) een diepte-interview af te nemen: Sharp, Merloni, Siemens etc. Het proefschrift geeft een goed beeld van de veranderingen in de distributiesector, zoals de overgang van meerdere nationale distributiecentra naar een Europees distributiecentrum. De Ligt concludeert dat veel voorspellingen over de toekomstige werkgelegenheid in deze centra in Nederland te optimistisch zijn.

248. Mariecke van der Glas, Gaining ground. Land use and soil conservation in areas of agricultural colonisation in South Brazil and East Paraguay. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 189 p., f 37,50.
In navolging van Jan Kleinpenning, die samen met Jan Hinderink promotor van dit proefschrift is, hebben Nederlandse geografen menige studie gewijd aan het proces van agrarische kolonisatie in Derde Wereldlanden en de gevolgen daarvan voor natuur en milieu. Van der Glas analyseerde kolonisatie, landgebruik, bodemdegradatie en vooral bodemconservering in twee rurale regio's die zo'n 120 kilometer van elkaar afliggen: Toledo in Brazilië en Minga Porã in Paraguay. Beide gebieden stemmen overeen in fysisch milieu, maar verschillen in overheid (in Brazilië was de staat anders betrokken bij agrarische kolonisatie dan in Paraquay) en in het moment dat de kolonisatie begon (in Toledo eerder dan in Minga Porã). Van der Glas verzamelde de gegevens door boeren te interviewen: hoe besluiten ze de grond te gebruiken en op welke wijze rageren ze op (dreigende) bodemdegradatie? De fysische kant krijgt minder aandacht (het onderzoek was opgezet in samenwerking met een fysisch-geograaf, maar die samenwerking liep vertraging op). Het boek eindigt met aanbevelingen: hoe kan men duurzaam bodembeheer in kolonisatiegebieden bevorderen?

249. Bart Makaske, Anastomosing rivers. Forms, processes and sediments. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 287 p. (plus kaartenbijlage), f 53.
In oktober 1994 stond in het tijdschrift Geografie een artikel over anastomeserende rivieren, te onderscheiden van de beter bekende vlechtende en meanderende rivieren. Een van de auteurs van het artikel, Bart Makaske, is onlangs gepromoveerd op een omvangrijke studie naar dit soort rivieren die bestaan uit verscheidene met elkaar verbonden geulen die komgebieden omsluiten. Hij deed veldstudies in Canada (de bovenloop van de Columbia River), Mali (de Binnendelta van de Niger) en in Nederland de Rijn-Maas delta. Enkele van zijn conclusies zijn dat de aanwezigheid van overvloedige vegetatie en organisch materiaal (zoals veen) niet altijd van belang is voor de ontwikkeling van anastomoserende rivieren, dat de gemiddelde sedimentatiesnelheid sterk verschilt, dat de meeste geulen van deze rivieren behoren tot het type 'rechte geulen' en dat de opvullingen van deze geulen niet gekenmerkt wordt door een eigen specifieke sedimentaire opeenvolging. Het is de type geul en de lokale stormingscondities die bepalen welke soort opvulling er is.

250. Antoon (Ton) van Rietbergen, The internationalization of European insurance groups. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 196 p., f 45.
Hoewel de auteur in zijn voorwoord tot de proefschrifteditie van deze NGS zegt dat zijn dissertatie een van de saaiste is ooit geschreven, zal het het voor mensen die zich bezig houden met de internationalisering van Europese verzekeringsgroepen zeker interessante bevindingen bevatten. Zoals de vraag waarom het ene (Europese) land veel succesvoller is dan het andere bij het voortbrengen van grote verzekeraars. Waarom timmert Zwitserland in dit opzicht zo veel meer aan de weg dan buurland Oostenrijk? Een andere vraag is de wijze waarop en de richting waarin de verzekeraars zich ontwikkelen. Fusies en overnames kan men niet zo zeer verklaren uit schaalvoordelen (daarvoor ontbreken harde bewijzen) en uit de geschiedenis (die leert dat fusies lang niet altijd slagen), maar vooral uit de grotere druk van de beurs, de persoonlijke ambities van de president-directeur en het kuddegedrag dat de kleine wereld van de 'haute finance' domineert. Een derde onderwerp is waarom verzekeraars anders dan banken niet streven naar een wereldwijd netwerk maar slechts in een beperkt aantal landen prominent aanwezig willen zijn.

251. Matthias M. Boer, Assessment of dryland degradation. Linking theory and practice through site water belance modelling. Utrecht: FRW, UU/KNAG, 291 p., f 45.
Een klassiek onderwerp op het snijvlak van sociale en fysische geografie is landdegradatie. Soms wordt 'het door menselijk handelen verloren gaan van de potentiële biologische produktie capaciteit van de grond' belicht vanuit een sociaal-geografisch perspectief (bijvoorbeeld door Marieke van der Glas, NGS 248), soms - zoals in dit proefschrift - vanuit een fysisch-geografisch gezichtspunt. Matthias Boer constateert dat bestaande methoden voor de evaluatie in droge gebieden - zeker op het niveau van regio's - maar in beperkte mate voldoen. Vandaar dat hij zich tot doel stelde een nieuwe methode te ontwikkelen voor het vaststellen en karteren van landdegradatie in droge gebieden, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen van algemeen beschikbare data, met name remote sensing beelden, digitale hoogtemodellen en klimaatreeksen. Twee gebieden in Zuid-Oost Spanje zijn gebruikt voor de ontwikkeling en het testen van methoden: het 'veld-lab' in Rambla Honda bij Almería voor een proef op de plot- en hellingschaal, en een een gebied van 900 vierkante kilometer in het stroomgebied van de Rio Guadalentín voor een regionale case-study.

252. Wendy Rose Eisner, Climate change and spatial diversity of vegetation during the Late Quaternary of Beringia. Utrecht: FRW, UU. 157 p., f 41.
In dit proefschrift bundelt de in de Verenigde Staten geboren Wendy Eisner negen (eerder verschenen) artikelen over de paleo-oecologie van Beringia (de regio tussen de Kolyma rivier in Oost-Siberië en de Mackenzie rivier in Noord-West Canada) gedurende het Laat-Kwartair. Zij vraagt zich onder meer af welke pollentypen en typen van andere microfossielen de meest betrouwbare indicatoren zijn voor het registreren van veranderingen in de vegetatie van Beringia, en hoe die vegetatie reageert op klimatologische en geomorfologische veranderingen in arctische gebieden. Om die vragen te beantworden analyseert zij pollen- en andere microfossielen (fungi) in veen en meersedimenten, zowel uit profielen als uit recente oppervlaktemonsters van diverse locaties in Alaska en Noord-Oost Siberië. Zo laat het pollendiagram van een drie meter lange boorkern uit Ahaliorak Lake - die een periode van 30.000 jaar reflecteert - een opeenvolging van verschillende klimaten zien. En een serie oppervlaktemonsters maakt een reconstructie van de lokale veensuccessie en landschapsontwikkeling langs de Meade rivier bij Atqasuk (Alaska) mogelijk.

253. Alice H. de Boer, Housing and care for older people: a macro-micro perspective. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 198 p., f 42.
In Nederland pleiten beleidsmakers tegenwoordig vooral voor zelfstandig wonen van ouderen: zorg op maat is een gevleugeld begrip geworden. Alice de Boer onderzocht in haar dissertatie of het Nederlandse ouderenbeleid en voorzieningenaanbod samen gaat met een goede afstemming van wonen en zorg met gezondheid. Om deze op macroniveau geformuleerde vraag te beantwoorden, moest ze bezien of het gedrag van ouderen (het microniveau) wordt beïnvloed door het aanbod van woon- en zorgvoorzieningen en toegangsregels, en hoe deze gedragsresponses op hun beurt leiden tot bepaalde maatschappelijke uitkomsten. Een van de oorzaken voor een slechte afstemming van wonen en zorg met gezondheid op het macroniveau blijkt de variatie in strategieën van ouderen te zijn. Er is een pro-actieve groep die handelt in anticipatie op toekomstige gezondheidsproblemen, en een reactieve groep die alleen haar woon- en zorgsituatie aanpast als er een noodzaak toe is (bijvoorbeeld slechtere gezondheid). De eerste groep past slecht, de tweede goed in het huidige ouderenbeleid.

254. Charlotje Riemers, Functionele en ruimtelijke dynamiek in de groothandel. Groningen: FRW, RUG/KNAG. 290 p., f 45.
Geografen (en zij niet alleen) hebben een blinde vlek voor de groothandel. Gezien het belang van deze sector is dat niet terecht. In 1997 waren er 53.000 groothandelsondernemingen in Nederland, met 425.000 werknemers, 373 miljard gulden omzet en een bruto toegevoegde waarde van 45 miljard. Maar deze dissertatie over de economische geografie van de Nederlandse groothandel maakt in een klap de achterstand in kennis goed. Veel aandacht voor lokatiepatronen van de groothandel op nationaal niveau (oververtegenwoordiging in Centraal-Nederland) en veranderingen daarin (suburbanisatie treedt op), alsmede voor ruimtelijke netwerken met toeleveranciers en afnemers. Extra interesse is er voor de elektrotechnische branche, met onder meer vier case-studies. Een van Riemers conclusies is dat de functionele dynamiek in de sector (schaalvergroting, ondernemingsconcentratie, internationalisering) niet tot uiting komt in de ruimtelijke dynamiek. De ruimtelijke distributiestructuur blijft fijnmazig en nabijheid tot de afnemers is nog steeds belangrijk.

255. Ab van Langevelde, Bilingualism and regional economic development: a Dooyeweerd case study of Fryslân. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 197 p., f 40.
Is de tweetaligheid van Friesland een probleem voor bedrijven die er gevestigd zijn? Ab van Langevelde, die in de jaren zeventig economie studeerde aan de Vrije Universiteit en als onderzoeker in dienst is van de provincie Fryslân, concludeert op basis van 24 interviews met ondernemers, dat de tweetaligheid voor bedrijven eigenlijk geen probleem is. Ondernemers treden het Fries - en breder het frysk eigene - eerder welwillend tegemoet. Van Langevelde spreekt van `een soort splendid isolation-effect': het Fries werkt `samenbindend' - het kan de band met klanten en de band tussen werknemers versterken. Bij ondernemers bestaat alleen enige irritatie over het taalbeleid: met name de verfriesing van de officiële plaatsnamen moet het ontgelden. Van Langevelde is afkerig van een dwingend taalbeleid: de overheid moet de `soevereiniteit in eigen kring' van bedrijven respecteren. Deze term is karakteristiek voor het werk van de VU-filosoof Dooyeweerd: van zijn structuurtheorie - zie de ondertitel van zijn proefschrift - maakt Van Langevelde gebruik. Beleidsmatig vloeit zijn studie voort uit de provinciale Kadernota Taalbeleid (1991).

256. Hans van Hastenberg, Foreign direct investment in Hungary: the effects of the modernization of the manufacturing industry and the demand for labor. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 198 p., f 43,50.
Na 1989 hebben westerse bedrijven Oost-Europa ontdekt. Zij investeerden in gloednieuwe bedrijven (greenfield investments) en namen voormalige staatsbedrijven over (brownfield investments). Wat zijn nu de effecten van deze buitenlandse directe investeringen op de modernisering van de nationale industrie en voor de arbeidsmarkt? Hans van Hastenberg beantwoordt deze vraag voor Hongarije. Hij interviewde in 1997 vijftig buitenlandse ondernemers met investeringen in Boedapest en omgeving of in Noord-West Hongarije. Ter vergelijking sprak hij daarnaast met directeuren van 13 Hongaarse geprivatiseerde bedrijven.
Het blijkt dat de buitenlandse investeerders een rol van formaat spelen bij de technologische modernisering van de industrie, terwijl de bedrijven in Hongaarse handen achterop raakten: ze bleven met verouderde machines werken. Ook de impact van buitenlandse investeerders op de arbeidsmarkt is aanzienlijk, niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief. Over het opleidingsniveau van Hongaarse werknemers zijn buitenlandse investeerders tevreden; wel maken ze veel werk van bedrijfsopleidingen. Problematisch is vooral een tekort aan Hongaarse managers. De geografische dimensie van dit proefschrift is bescheiden.

257. Cissé Kane, Représentations spatiales et mobilités des jeunes à Dakar. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 231 p., f 45.
De laatste mode onder de jeugd in Dakar is skeeleren. En de stranden heten er Beverly Hills of Tahiti. Zulke gegevens zeggen iets over de geambieerde internationale levensstijl en de culturele referenties van de jongeren in de twee miljoen inwoners tellende hoofdstad van Senegal. Het (Franstalige) proefschrift van Cissé Kane gaat over hun perceptie van de stedelijke ruimte en hun verplaatsingsgedrag in Dakar, in onderling verband. Hij enquêteerde 470 jongeren (scholieren, werkers, werklozen, etc.) in verschillende woonwijken. Dakar blijkt voor hen 'niet alleen een functioneel gebied, maar ... ook een object vol emotie, affectie, aantrekkingskracht en afkeer en van dromen te zijn. (...) Er zijn geliefde wijken en buurten waar jongeren niet zouden willen wonen. De jongeren gebruiken deze percepties voor het maken van keuzen met betrekking tot vrijetijdsbesteding, winkelen en andere activiteiten en hun verplaatsingen'. In het moderne trendy Dakar is het Plateau - waarop de langgerekte verkeersaders uitkomen - very much the place to be.

258. Tony Hernandez, Henk J. Scholten, David Bennison, Marco Biasiotto, Sarah Cornelius, Martin van der Beek, Explaining Retail GIS: the adoption, use and development of GIS by retail organisations in the Netherlands, the UK and Canada. Utrecht/Amsterdam: KNAG/Vakgroep Ruimtelijke Economie Vrije Universiteit. 116 p., f 49.
Naar schatting negentig procent van de informatie die in de detailhandel omgaat heeft een geografische component, met andere woorden is verbonden aan een specifieke lokatie in de ruimte. Te denken valt aan adressen van klanten, vestigingsplaatsen van filialen, netwerken van leveranciers. Dat betekent dat geografische informatiesystemen in potentie detailhandelsorganisaties veel te bieden hebben. En dat hebben zij inmiddels ook zelf ontdekt, zo blijkt uit deze NGS die rapporteert over een internationaal onderzoek in Nederland, Groot-Brittannië en Canda. De helft van de ondervraagde organisaties gebruikt al GIS-technologie. Alle grotere detailhandelsondernemingen hebben inmiddels GIS of zijn dat in de nabije toekomst van plan. Ze gebruiken GIS-en om vragen te kunnen beantwoorden als waar openen we nieuwe winkels, welke produktassortimenten moeten we in welke winkels voeren, welke klanten komen in aanmerking voor direct mail, etc. De studie besluit met een overzicht van de succesfactoren voor GIS.

259. Marcel de Wit, Nutrient fluxes in the Rhine and Elbe basins. Utrecht: Fac. Ruimtelijke Wetenschappen/KNAG. 163 p., f 38,50.
Dat een overmaat aan voedingsstoffen (nutriënten) schadelijk is voor het milieu, is inmiddels alom bekend. Vandaar dat dan ook een internationaal beleid op poten is gezet dat de emissie van nutriënten moet beperken. De mate waarin dat beleid succesvol is hangt echter ook af van de het gemak waarmee nutriënten zich in het milieu verspreiden.
In deze dissertatie onderzoekt Marcel de Wit de emissie en het transport van stikstof en fosfor in de stroomgebieden van de Rijn en de Elbe over de periode 1970-2020. Doel is om modellen te ontwikkelen die de verplaatsing van beide nutriënten op de schaal van een stroomgebied adequaat beschrijven. Voorts brengt hij hun transportpatronen tussen 1970 en 1995 in kaart en voorspelt hij wat het effect van beleidsmaatregelen is op fosfor- en stikstofstromen in de Rijn- en Elbestroomgebied in 2020. Een van zijn bevindingen is dat zuivering van afvalwater en het verbod van fosfaten in wasmiddelen hebben geleid tot een sterke afname van de emissies uit puntbronnen. Emissie uit diffuse bronnen (landbouw) is echter nauwelijks verminderd. Toekomstig landbouwbeleid zal alleen succesvol zijn in het terugdringen van stikstof.

260. Elke Ennen, Heritage in Fragments. The meaning of pasts for city centre residents. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 259 p., f 39,90.
Onderzoek naar historisch erfgoed in Europese steden wordt in Nederland al vele jaren vooral door een groepje Groningse sociaal-geografen onder leiding van prof. Greg Ashworth gedaan. Deze dissertatie is een recent resultaat. Elke Ennen onderzocht onder meer de betekenis die erfgoed heeft voor bewoners en overheden in Leeuwarden en Alkmaar. Dat leidt onder meer tot een typologie van bewoners: fijnproevers (te onderscheiden in historische en consumerende fijnproevers), onverschilligen en afwijzers van de historische binnenstad. Deze groepen bleken niet te bestaan in Szeged, een middelgrote historische stad in Hongarije. Ennen concludeert: `Verbondenheid met de stad is in Szeged niet gerelateerd aan woongedrag, gebruik van binnenstadsfaciliteiten of affiniteit met historiciteit.' Oud is er er synoniem aan verval; de eerste Hongaarse monumentenwet kwam er pas in 1997. Ennen onderzocht ook het erfgoedbeleid van de drie gemeenten, en, met behulp van een panel van deskundigen, de (potentiële) rol van erfgoed in centrummanagement en stedelijke ontwikkelingsbeleid.

261. W.J. Meester, Subjectieve waardering van vestigingsplaatsen door ondernemers. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 228 p., f.45.
De Groningse hoogleraar Piet Pellenbarg heeft de afgelopen twintig jaar bekendheid verworven met zijn studies naar de waardering die ondernemers hebben voor steden als mogelijke vestigingsplaats voor hun bedrijven. Daarvoor werden tal van ondernemers geënquêteerd, mondeling of schriftelijk. Veel van die studies verrichtte hij samen met Wim Meester. In deze met een cum laude bekroonde dissertatie zet Meester een reeks van studies, waarover veelal al eerder is gerapporteerd in afzonderlijke publicaties, in een breder kader. De oudste onderzoeken dateren uit 1983 en 1984 (over de waardering van Nederlandse steden), de meest recente uit 1996 en 1997 (over wat Duitse en Noord-Nederlandse ondernemers vinden van respectievelijk Noord-Nederlandse plaatsen en Duitse steden). Tal van technieken worden gebruikt bij het beantwoorden van de vraag welke steden door wie (niet) gewaardeerd worden. Twee conclusies: de eigen vestigingsplaats wordt vaak hoog gewaardeerd; naarmate de afstand tussen die plaats en een te waarderen plaats toeneemt, stijgt de kans op een negatief oordeel.

262. J. van Dijk & P.H. Pellenbarg, eds., Demography of firms. Spatial dynamics of firm behaviour. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 337 p., f 45.
Iedere geograaf weet dat de bevolkingsomvang en -ontwikkeling van een gebied wordt bepaald door geboorte, sterfte, vertrek en vestiging van mensen. Economisch-geografen verkennen sinds enige tijd de bruikbaarheid van demografische concepten in analyses van hoe gebieden zich economisch ontwikkelen: ook bedrijven worden immers `geboren', `overlijden', vertrekken naar een ander gebied, fuseren of scheiden. Men spreekt dan van de demografie van bedrijven. Deze bundel bevat 17 bijdragen van vooral Duitse en Nederlandse geografen; haar oorsprong ligt in een internationale workshop op Terschelling in 1998. Enkele onderwerpen: startende ondernemingen en hun kansen op succes, verouderende industrial districts (schoeisel en leer) in ZW-Duitsland, migratie van bedrijven binnen Nederland, het ruimtelijke gedrag van de Britse multinational Hillsdown in Nederland, innovaties in de regionale economie van Bergliches Land en Noord-Tyneside, nieuwe technologiebedrijven in Duitsland. Drie hoofdstukken behandelen buiten-Europese regio's: de Mexicaanse stad Puebla, het voormalig thuisland Ciskei in Zuid-Afrika en bedrijfssluitingen in Japan.

263. Simone van Dijck, Effects of agricultural land use on surface runoff and erosion in a Mediterranean area. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 246 p., f 45,90.
Wie ooit door wijngaarden heeft opgelopen, zal hebben opgemerkt dat de grond tussen de gewasrijen braak ligt. In gebieden waar regen niet neerdruilt maar neerklettert, en wijngaarden langs flauwe hellingen liggen, is de kans op oppervlakkige afstroming van het water en bodemerosie groot. Fysisch-geografe Simone van Dijck heeft in haar proefschrift dit proces onderzocht in een mediterraan wijnbouw- en fruitteeltgebied in Zuid-Frankrijk. Meer precies gezegd keek ze naar de invloed van de wijze waarop een boer zijn land gebruikt (grondbewerking, wielbelasting door tractorverkeer) op oppervlakkige afstroming van water en op erosie/sedimentatie en naar de betekenis van lineaire elementen daarbij (greppels, perceelsscheidingen, tractorpaden, bandensporen en ploegvoren). Bandensporen en ploegvoren worden vaak beschouwd als minuscule kanaaltjes voor sedimenttransport. Veldmetingen wezen echter uit dat daar depositie (sedimentatie) optreedt. Erosie is er in interrill areas, op stroken grond tussen bijvoorbeeld bandensporen. Maatregelen tegen erosie moeten hiermee rekening houden.

264. Marieke Kragten, Viable or marginal? Small-scale industries in rural Java (Bantul District). Utrecht: FRW, UU/KNAG. 195 p., f 43,50.
Zoals in perifere landelijke gebieden in rijke landen toerisme vaak als reddingsboei wordt beschouwd, zo vestigen deskundigen van plattelandsgebieden in de Derde Wereld hun hoop op rurale diversificatie en vooral op industrialisatie. Zij verwachten er vaak veel van, en verwijzen dan naar de betekenisvolle rol van plattelandsindustrie in de Aziatische NIC's en in China. Maar is die hoop ook gerechtvaardigd voor het Bantul District in Mdden-Java? Aan welke factoren moet eigenlijk worden voldaan om een levenskrachtige rurale industrie te creëren? Marieke Kragten bestudeerde in haar dissertatie de conditionerende factoren van rurale industrialisatie op verschillende schaalniveaus. Via surveys, case-studies en interviews met sleutelpersonen bracht ze de kenmerken van de kleinschalige bedrijven in een aantal dorpen in het Bantul District en hun relaties met de regionale omgeving in kaart. Het blijkt dat de ontwikkeling in het Bantul District nogal afwijkt van het in de literatuur geschetste beeld. Zo heeft de agrarische sector geen stimulerende rol gespeeld. Ook de extreem hoge bevolkingsdruk draagt bij aan de afwijkende ontwikkeling.

265. Ana M.F. Bio, Does vegetation suit our models? Data and model assumptions and the assessment of species distribution in space. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 195 p., f 34,50.
De van origine Portugese biologe Ana Bio stelt zich in haar proefschrift een intrigerende vraag: zijn de gegevens die we hebben over de verspreiding van planten wel geschikt voor onze modellen? Die vraag is als het ware de tegenpool van de meer traditionele vraag naar de mate waarin modelvoorspellingen overeenkomen met de waargenomen verspreiding (the fit of our models to our data). Bio verkent de `mogelijkheden ter verbetering van statistische modellen die de aan- of afwezigheid van plantensoorten in afhankelijkheid van een aantal standplaatscondities beschrijven'. Ze belicht vooral `de fundamentele aspecten van de statistische methodieken, zoals de geldigheid van het gebruik van logistische regressie en de daarvoor benodigde aannames over de gegevens en modelcomponenten'. Een van haar bevindingen is dat veldopnamen van plantensoorten (in Nederland) vaak ten onrechte als onafhankelijke gegevens worden behandeld, terwijl ze ruimtelijk gecorreleerd zijn. Slotsom: `de vraag of de gegevens bij de modellen passen is net zo belangrijk als de vraag of de modellen de gegevens wel passend modelleren'.

266. Albertine van Diepen, Households and their spatial-energetic practices. Searching for sustainable urban forms. Groningen/Utrecht: FRW, RUG/KNAG. 231 p., f 39.
Kan de ruimtelijke inrichting van een gebied bijdragen aan de realisatie van een duurzame samenleving? Concreter geformuleerd, stimuleren idealen als duurzaam bouwen en de compacte stad energiezuinige activiteitenpatronen (binnens- en buitenshuis) van huishoudens die in een duurzaam gebouwde buurt en/of een compacte stad wonen? Om die vraag te beantwoorden, interviewde Albertine van Diepen ruim 1300 huishoudens, verspreid over twee steden (Amersfoort en Groningen) en, binnen elke stad, vier buurten (binnenstadsbuurt, traditionele en een duurzaam ontworpen uitbreidingswijk, rurale woonbuurt). Een methodisch probleem daarbij is dat elke buurt een eigen soort huishoudens heeft. Zijn ontwerp en ligging van de buurt of de huishoudenskenmerken oorzaak van een verschil in energieverbruik? De analyse leert dat inderdaad een buurteffect bestaat. De activiteitenpatronen van huishoudens in binnenstadsbuurten zijn het minst energie-intensief (147 gigajoule per huishouden per jaar in Amersfoort). Het onderscheid tussen de traditionele en duurzame uitbreidingswijk is bescheiden: in Amersfoort 186 vs. 176 GJ, in Groningen 155 vs. 151 GJ.

267. Bettina van Hoven-Iganski, Made in the GDR. The changing geographies of women in the post-socialist rural society in Mecklenburg-Westpommerania. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 261 p., f 40.
In 1989 viel de Berlijnse Muur; de Duitse eenwording bracht nieuwe economische en politieke stelsels. Onveranderd bleef echter de patriarchale machtsstructuur: mannen maakten voor en na de Wende in de DDR de dienst uit. Zo ook in Mecklenburg-Voorpommern, het overwegend rurale en achtergebleven gebied in het uiterste noordoosten van het nieuwe Duitsland. Bettina van Hoven, tegenwoordig werkzaam op de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen in Groningen, maar tijdens haar dissertatie-onderzoek verbonden aan de University of Plymouth, onderzocht met behulp van kwalitatieve data de veranderingen die de maatschappelijke transformatie teweegbracht in het alledaagse leven van plattelandsvrouwen aldaar. Zij begonnen aan een `tweede leven' dat alles bij elkaar genomen niet beter blijkt dan hun `eerste leven'. Sociale netwerken die de vrouwen in de DDR-tijd hadden opgebouwd en steun gaven in het dagelijks leven verdwenen; de markteconomie bracht werkloosheid en dus isolement. En veel vrouwen vinden dat hun politieke inbreng is afgenomen. Van Hoven plaatst haar onderzoek in de Britse feministische geografie.

268. Jan Germen Janmaat, Nation-building in Post-Soviet Ukraine. Educational policy and the response of the Russian-speaking population. Utrecht/Amsterdam: KNAG/Fac. Maatschappij- en Gedragswetenschappen UvA. 233 p., f 53.
Onderwijs is een erkend instrument van de staat om de nationale eenheid te bevorderen. Dat gold in de 19de eeuw, het geldt ook thans in de nieuwe landen in Oost-Europa. Voor het uiteenvallen van de USSR had het Oekraïens de status van een boerendialect; Russisch had in de Oekraïne de overhand. Dat veranderde met de taalwet van eind 1989 en het uitroepen van de Oekraïne als zelfstandige staat. Het Oekraïens werd als de enige staatstaal ingevoerd. Sindsdien rukt het Oekraïens in het onderwijs op, ten koste van het Russisch. Kind van de rekening zijn de Russischtaligen, die vooral in het zuiden en oosten van de Oekraïne leven.
Janmaat analyseert in zijn proefschrift de invoering van het Oekraïens in het onderwijs in de verschillende regio's/steden en de reacties van Russischtaligen. Kiezen zij voor volledige taalassimilatie, taalintegratie (op school Oekraïens, thuis Russisch) of taalbehoud? Hoe strenger het overheidsbeleid in een stad of regio, hoe meer Russischtaligen berusten in assimilatie.

269. Tom Ane Dijkstra, Loess slope instability in the Lanzhou region, China. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 301 p., f 59,50.
Deel van het uitgestrekte Chinese Lössplateau is de semi-aride Lanzhou regio. In het centrum van die regio ligt de gelijknamige, twee miljoen inwoners tellende en snel groeiende stad. Ze is omringd door bergen, die bedekt zijn met dikke lagen löss. Aardbevingen in combinatie met intensieve menselijke activiteiten veroorzaken er onder meer massabewegingen. Duizenden huizen, wegen en mensen zijn in de afgelopen decennia onder de löss begraven. Door de soms hoge snelheden - de Sale Shan landslide in 1983 legde 1500 meter in minder dan vijftig seconden af - is tijdig vluchten vaak niet mogelijk.
De lokale overheid is zich bewust van de gevaren; Chinese en Europese wetenschappers (gesubsidieerd door de EU) doen er gezamenlijk onderzoek. Een van hen is de fysisch-geograaf Dijkstra. Hij doet in zijn proefschrift - voor een deel een bundeling van eerder in de vakpers verschenen tijdschriftartikelen - verslag van zijn bodemkundige en geomorfologische studies ter plaatse. Hij onderzocht de materiaaleigenschappen die leiden tot het bezwijken van lössafzettingen op verschillende niveaus: van veldtests, via laboratoriumproeven tot microscopische analyses.

270. Johan Bentinck, Unruly urbanisation on Delhi's fringe. Changing patterns of land use and livelihood. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 190 p. plus CD-ROM, f 45.
Elk decennium lijft het immer uitdijende Delhi (nu ruim 13 miljoen inwoners) een tiental dorpen in: ze worden deel van de stad. Hoe verloopt dat proces en wat betekent de incorporatie voor de dorpelingen? Bentinck onderzocht dat via huishoudensenquêtes en diepte-interviews, maar ook met behulp van satellietbeelden. Daarmee konden de veranderingen in landgebruik worden vastgesteld. Bij de papieren versie van zijn proefschrift is een CD-ROM gevoegd, waarop beelden, kaarten, foto's, videofragmenten en de complete tekst van zijn proefschrift staan.
Zoals ook al bleek uit een artikel van Bentinck in het decembernummer van Geografie (1998), zijn dorpelingen geen slachtoffers van de naderende stad. Zij krijgen kansen op de stedelijke arbeidsmarkt die ze voorheen niet hadden, en/of kunnen hun grond tegen een goede prijs verkopen aan grondmakelaars of ontwikkelaars. Over het geheel genomen stijgt hun welvaart. Milieuproblemen zijn er wel: de chaotische urbanisering leidt tot aantasting en vervuiling van het leefmilieu.
OUT OF PRINT

271. Maurits van den Berg, Land use systems research on strongly weathered soils in south and south-east Brazil. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 250 p., f 53,50.
Sterk verweerde tropische gronden, die ongeveer 40% beslaan van het wereldareaal aan (potentiële) landbouwgronden, hebben geen goede naam. Leerboeken over bodemkunde beschrijven ze als chemisch zeer arm en met een gering waterleverend vermogen. Maar in de afgelopen decennia is met name in Zuid- en Zuid-Oost-Brazilië duidelijk geworden dat deze gronden toch goede opbrengsten kunnen voortbrengen, mits zij worden bekalkt en bemest. Keerzijde is bodemdegradatie en vernietiging van natuurlijke ecosystemen.
De Wageningse bodemkundige Maurits van den Berg heeft voor zijn proefschrift 42 percelen van landbouwbedrijven, verspreid over drie gebieden in het zuiden van Brazilië, onderzocht. Zijn oogmerk was om te komen tot een betere karakteristiek van de landbouwkundige kwaliteiten van sterk verweerde tropische gronden en te bepalen hoe bestaande (eventueel enigszins aangepaste) middelen en technieken kunnen worden ingezet om het productiepotentieel van beoogde landgebruikssystemen op deze bodems beter in te schatten.

272. Nico W. Willemse, Arctic natural archives. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 181 p., f 39,50.
Fysisch-geograaf Nico Willemse leefde, verdeeld over vijf expedities, 234 dagen in een tent op een toendra aan de westelijke rand van de Groenlandse ijskap. Het ging meer precies om het Kangerlussuaq gebied (Sisimiut en omgeving), gelegen aan Straat Davis. Hij verzamelde er gegevens ten behoeve van zijn analyse van de litho-, bio- en chronostratigrafie van de lacustriene en eolische afzettingen. Die analyse had tot doel om een beter inzicht te verwerven in de sedimentatie- en klimaatsgeschiedenis van het Kangerlussuaq gebied (dat vroeger met ijs was bedekt). Het blijkt dat deze afzettingen een schat aan informatie bevatten voor een gedetailleerde reconstructie van veranderingen in het randglaciale milieu van de Groenlandse ijskap. De geaccumuleerde sedimenten in de meren weerspiegelen de ruimtelijke patronen van het arctische klimaat in het verleden, terwijl biologische processen in de meren schommelingen in het klimaat laten zien. Willemse' s dissertatie biedt ook nieuwe perspectieven voor de studie van de invloed en rol van het arctisch gebied in het mondiale klimaatsysteem.

273. Margien Bootsma, Stress and recovery in wetland ecosystems. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 193 p., f 39.
Utrechtse milieukundigen hebben een naam verworven op het gebied van de hydro-ecologie. Dit proefschrift van Margien Bootsma, van origine een biologe, bevestigt die faam. Zij doet verslag van een reeks onderzoeken naar de veranderingen die enkele waterrijke ecosystemen (wetlands) in Nederland hebben ondergaan als gevolg van verdroging, vermesting, verzuring en versnippering: de Vechtstreek en het Naardermeer, Noord-West Overijssel (Wieden en Weerribben), Ilperveld in Waterland en de Drentse Aa. Tevens bekijkt ze in hoeverre maatregelen die deze aantasting (enigszins) ongedaan moeten maken - zoals begreppeling waardoor de lokale hydrografie verandert of het afplaggen van de toplaag - succesvol zijn. Een studie van de Biebrza-vallei in Noord-Oost Polen fungeert als referentiekader: hoe groot zijn de verschillen tussen een aangetast ecosysteem en een ecosysteem dat in een hoegenaamde ongestoorde staat verkeert? Afgezien van de inleiding en de concluderende afsluiting zijn de overige vijf hoofdstukken reeds in tijdschriften verschenen of zullen daarin binnenkort verschijnen.

274. Willem T.B. van der Lee, The settling of mud flocs in the Dollard estuary, The Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 133 p., f 34,50.
Morfologische veranderingen van getijgeulen en -platen hangen af van erosie, transport en depositie van sediment. Willem van der Lee onderzocht een deel van dit systeem: het bezinken van slibvlokken in een estuarium, te weten de Dollard. Slib is cohesief en daardoor vormen slibdeeltjes vlokken. Door hun grootte zinken deze vlokken sneller dan deeltjes; zonder flocculatie van slibdeeltjes zou eigenlijk nauwelijks depositie optreden.
Voor zijn proefschrift bepaalde Van der Lee de grootte en valsnelheid van slibvlokken in de Dollard op diverse lokaties en verschillende tijden (getij- en seizoensvariaties). Het meten van vlokgrootte en valsnelheid bleek moeilijk. Bij het nemen van watermonsters breken slibvlokken namelijk. Daarom werd onder meer een onderwatercamera gebruikt, zodat metingen in situ konden worden verricht. Een van de conclusies is dat voor de flocculatiedynamiek de turbulente wervels in het water en verblijftijd (tijdsduur van suspensie) essentieel zijn, en dat naast fysische ook biologische factoren (vooral aan het einde van een planktonbloei) van belang zijn.

275. Brigit Janssen-Stelder, A system analysis of salt marsh development along the mainland coast of the Dutch Wadden Sea. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 127 p., f 37,50.
Twee jaar lang trok Brigit Janssen-Stelder gewapend met allerlei meetinstrumenten over kwelders en wadplaten om waterdiepte, golfhoogte, kustlangse en kustdwarse stroomsnelheid en gesuspenseerde sediment concentraties te meten. Voorts had ze beschikking over data die Rijkswaterstaat vanaf 1965 had verzameld. Met behulp van de aldus vergaarde gegevens kon ze de ontwikkeling van kwelders langs de vastelandskust van de Nederlandse Waddenzee op verschillende ruimte- en tijdschalen analyseren. Preciezer geformuleerd: het ging haar om vragen naar de ruimtelijke verschillen in erosie en sedimentatie in de pionierszone (de overgangszone tussen het hoogwad en de eigenlijke kwelder), naar de invloed van stormen op de ontwikkeling van deze zone, naar de morfologische veranderingen van de kwelders in de afgelopen decennia en naar de invloed die veranderende randvoorwaarden (zoals zeespiegelstijging en een veranderend windklimaat) kunnen hebben op (toekomstige) kwelderontwikkeling. Een van haar conclusies is dat de verschillen in ontwikkeling zo groot zijn, dat kustbeheer niet uniform behoeft te zijn.

276. A.J.H. Smets, Wervende woonmilieus in de stad? Stedelijke herstructurering geëvalueerd. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 205 p., f 53,50.
In tal van Nederlandse binnensteden zijn de laatste jaren chique appartementencomplexen gebouwd. Wie bewonen die complexen? En gedragen de bewoners zich zoals de stedelijke planologen hadden gehoopt? Dit soort vragen stelt Anton Smets zich in zijn studie - als proefschrift verdedigd - van het AZU-terrein in Utrecht, dat vrijkwam nadat het ziekenhuis naar een buitenwijk was vertrokken, en van het Céramique-terrein in Maastricht, waar vroeger een aardewerkfabriek stond. Smets analyseerde hoe beide herstructureringsprojecten tot stand kwamen en wat de verwachtingen van de betrokkenen waren. Zo hoopten zij dat de appartementencomplexen gekocht zouden worden door mensen die elders in de stad een goedkope zelfstandige woning achterlieten, dat de kopers niet snel zouden vertrekken en dat ze minder gebruik zouden maken van de auto. Die verwachtingen blijken lang niet altijd uit te komen. De bewoners bijvoorbeeld laten maar zelden woningen achter (het zijn vaak starters), en menigeen ruilt na verloop van enkele jaren het appartement in voor een huis met een tuin en een parkeerplaats in een suburb.

277. Jos N.M. Klaus, Huishoudensontwikkeling en inkomensverandering. Een longitudinale analyse van de wisselwerking tussen het inkomen en huishoudensdemografische kenmerken. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 148 p., f 41,50.
In 1984 begon het CBS met het zogenaamde Inkomenspanelonderzoek, waarin sinds 1989 maar liefst 75 duizend `kernpersonen' zitten. Zij worden van jaar tot jaar gevolgd, zonder dat zij dat overigens zelf weten: de data worden ontleend aan diverse administraties (zoals van de belastingen) en niet verkregen via enquêtes. Analyses van het databestand maken antwoorden mogelijk op vragen naar de wederzijdse verbanden tussen demografische gebeurtenissen in de levensloop van iemand (verlaten van het ouderlijk huis, het krijgen van het eerste kind, pensionering) en de hoogte en samenstelling van zijn inkomen. Jos Klaus schreef daarover, samen met Pieter Hooimeijer, in 1993-1996 een reeks artikelen voor de Sociaal-economische Maandstatistiek van het CBS. Deze empirische analyses krijgen in dit proefschrift een theoretisch fundament. Zo stelt de theorie van de `new home economics' dat thuiswonende vrouwen met een laag inkomen de meeste kans hebben om te gaan samenwonen: zij hebben er financieel het meeste voordeel van. Het omgekeerde blijkt echter waar. Vrouwen met een hoog inkomen stoppen niet meer met werken als ze gaan samenwonen, en ondervinden er dus geen financieel nadeel van.

278. Mirjam van Roode, The effects of vegetative barrier strips on surface runoff and soil erosion in Machakos, Kenya. A statistical versus a spatial modelling approach. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 283 p., f 52,00.
In 1994 verscheen een spraakmakende studie over bodemherstel in de Machakos-regio: More people, less erosion. Environmental recovery in Kenya. Dit boek ging vooral over de invloed van maatschappelijke factoren. Van Roode's proefschrift is echter een puur fysisch-geografische microstudie. Zij vroeg zich af in hoeverre heggen en grasstroken op flauwe hellingen in semi-aride gebieden bijdragen aan het vasthouden van bodem en water. Op veertig proefveldjes werden diverse soorten heggen en grasstroken geplant, op verschillende afstanden van elkaar en evenwijdig aan de hoogtelijnen. Gedurende vier jaar werden na elke regenbui de oppervlakkige afstroming van water en het bodemverlies gemeten. Er waren ook controleveldjes zonder heggen of grasstroken, en veldjes waar walletjes en greppels van oudsher de bodem beschermden. Van Roode analyseerde eerst haar veldwerkgegevens met behulp van conventionele statistische methoden. Vooral het traditionele bodemconserveringssysteem bleek runoff en bodemverlies tegen te gaan. Vanwege de grote natuurlijke gebiedsvariatie konden verder weinig harde conclusies getrokken worden. Dat kon wel toen de gegevens in een model waren gestopt. Het meest effectief bleken napier grasstroken.

279. M.C.J.L. Jeuken, On the morphologic behaviour of tidal channels in the Westerschelde estuary. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 378 p. (met kaarten gedeeltelijk in kleur), f 65,50.
Claire Jeuken bracht samen met de mensen van de Meetdienst Zeeland menige dag door aan boord van meetschepen op de Westerschelde. Doel was om veldmetingen te verzamelen over onder meer stroomsnelheden en zandtransporten. De gegevens waren nodig om de morfologische veranderingen van getijdegeulen in een deel van het Westerschelde estuarium te analyseren. Het gaat om de zogenaamde Terneuzensectie. Voor de kust van Terneuzen liggen twee hoofdgeulen, van elkaar gescheiden door plaatgebieden en onderling verbonden door zogenaamde kortsluitgeulen, die uit twee typen bestaan, namelijk drempelgeulen en dwarsgeulen. Jeuken bestudeert in haar proefschrift het morfologisch gedrag van dit geulsysteem op een tijdschaal van maanden tot decennia (1955-1996). De nadruk lag op het bepalen van de samenhang en interacties tussen het morfologisch gedrag van de kortsluit- en hoofdgeulen. De resultaten van het onderzoek hoopt Jeuken te kunnen gebruiken bij de studie van morfologische veranderingen in andere secties van het estuarium, bij het ontwikkelen en valideren van modellen en het optimaliseren van het bagger- en stortbeleid.

280. Klaas Houwman, Tide, wind- and wave-driven flow processes in the nearshore zone. Field measurement Terschelling and modelling. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 235 p., f 40.
Fysisch-geografen uit Utrecht hebben wat met de Noorzeekust van Terschelling. Na een eerdere dissertatie uit 1998 van Gerben Ruessink (uitgegeven als NGS 236), promoveerde Klaas Houwman op 4 juni 2000 op een onderzoek naar door getijden, wind en golven op gang gebrachte sedimenttransporten langs de kust van Terschelling, en de gevolgen van dit sedimenttransport voor de morfologie van de kust. Houwman was tijdens de promotie al ziek; hij zou op 15 augustus 2000 overlijden, 36 jaar oud. Het manuscript waarop hij promoveerde is door zijn promotor (prof. Terwindt) en zijn copromotoren geredigeerd tot een eindversie die nu in de NGS-reeks is verschenen. De studie analyseert de ontwikkeling en aanwezigheid van kustlangse en kustdwarse transportmechanismen van zand in de kustnabije zone, onder meer met behulp van het Phantarhei-model. De empirische gegevens daarvoor verzamelde Houwman in de periode 1993-1995 in het kader van zogenaamde EU-MAST NOURTEC project, een door `Brussel' gefinancierd onderzoeksprogramma.

281. G. Bolt, Wooncarrières van Turken en Marokkanen in ruimtelijk perspectief. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 213 p., f 47,50.
In Utrecht gelden Lombok en Kanaleneiland als concentratiebuurten van Turken en Marokkanen. Maar ook in andere stadswijken wonen zij, al is hun percentage daar lager. Gideon Bolt ondervroeg ten behoeve van zijn promotie-onderzoek Turkse, Marokkaanse en Nederlandse huishoudens. Het blijkt dat concentratiebuurten weinig aantrekkingskracht uitoefenen op Turken en Marokkanen. De aanwezigheid van etnische voorzieningen en sociale contacten in de directe omgeving heeft betrekkelijk weinig gewicht - deze voorzieningen en contacten lijken Turken en Marokkanen wel aan de stad als geheel te binden, maar niet aan specifieke wijken. Concentratiebuurten zijn niet goed in staat hun woonwensen te vervullen: Turken en Marokkanen die in de overige buurten wonen, zijn vaker van plan in die buurten te blijven wonen, dan hun landgenoten in concentratiebuurten. Voorts blijkt dat zij weinig progressie maken in hun wooncarrière. Hun betrekkelijk slechte woonsituatie is te wijten aan hun zwakke woningmarktpositie, niet aan culturele factoren. Bolt waarschuwt ervoor dat concentratiebuurten doorstroomwijken (waar nieuw aangekomenen slechts tijdelijk worden opgevangen) moeten blijven, geen armoedegetto's waarin de bewoners gevangen raken.

282. Arne Bongenaar, Corporate governance and public private partnership. The case of Japan. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 178 p., f 50.
Sinds 1988, toen hij in Tokio onderzoek deed voor zijn doctoraalscriptie, is Arne Bongenaar gefascineerd door Japan. Ook zijn proefschrift steunt op veldwerk in dat land. Dat proefschrift is gewijd aan publiek-private samenwerkingsverbanden, vooral bezien vanuit het perspectief van hun bestuurbaarheid. Luchthavens, tunnels, stadsdelen, conferentiecentra: ze komen vaak tot stand via PPS'en. In die PPS'en participeren vele private partijen, elk met een klein belang. Bongenaar bestudeert zeven cases; zijn analysekader ontleent hij aan de transactiekostentheorie. Hij concludeert dat deelnemende bedrijven er flink aan hebben verdiend en weinig risico's liepen. Kostenoverschrijdingen werden afgewenteld op de publieke partner. Japanse PPS'en `fungeerden voornamelijk als subsidiekanaal voor het Japanse bedrijfsleven. Het gebrek aan concurrerende omgeving, onderzoek, risico-allocatie, transparantie verhoudt zich slecht tot de principes van corporate governance'. Aldus Bongenaar. Hij eindigt zijn studie met een voorstel voor een stappenplan voor zowel de besluitvorming over grote projecten als voor het proces van het betrekken van private partijen.
OUT OF PRINT

283. Esther Stouthamer, Holocene avulsions in the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 211 p. plus bijgevoegde kleurenkaart, f 51,50.
Onlangs verscheen bij Van Gorcum een doos met een monumentale inhoud: een CD-ROM, drie kleurenkaarten en een boek, Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta. Samen geven ze een gedetailleerd overzicht van de paleogeografische ontwikkeling van de Rijn-Maas delta, met name gedurende het holoceen. Het is het levenswerk van de Utrechtse fysisch-geograaf Henk Berendsen die er de gegevens van 200 duizend boringen in verwerkte. Zijn co-auteur is een jonge fysisch-geografe, Esther Stouthamer.
Een onderwerp dat in het boek één hoofdstuk heeft toebedeeld gekregen, heeft zij in deze NGS uitgewerkt tot een dissertatie. Het gaat om holocene avulsies. Avulsies zijn rivierverleggingen waarbij een nieuwe stroomgordel wordt gevormd terwijl de oude stroomgordel, al dan niet plotseling, geheel of gedeeltelijk wordt verlaten. Stouthamer karteert en dateert de stroomgordels in de holocene Rijn-Maas delta, onderzoekt de oorzaken van avulsies, berekent de bestaansperiode, frequentie en duur van avulsies, en beschrijft de sediment-stratigrafische opbouw en geulverjongingen. Het proefschrift bundelt vijf artikelen uit internationale tijdschriften; van enkele is Berendsen co-auteur.

284. Anja de Wit, Runoff controlling factors in various sized catchments in a semi-arid Mediterranean environment in Spain. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 229 p., f 43,80.
In Zuidoost-Spanje stroomt de Guadalentin door een semi-aride kalksteengebied. Het stroomgebied - samengesteld uit een verzameling van kleinere in grootte variërende stroomgebiedjes - heeft te lijden onder landdegradatie als gevolg van erosie door afstromend water (runoff) en incidentele overstromingen. Het was het veldwerkgebied van Anja de Wit, die er voor haar proefschrift gegevens verzamelde over de vegetatiebedekking en de componenten van de waterbalans: neerslag, infiltratie en afvoer. Deze factoren hebben hun uitwerking op verschillende ruimtelijke en temporele schaalniveaus. De vraag is hoe de relaties tussen deze factoren zijn. De Wit verkende onder meer of het zogenaamde REA-concept (Representatieve Elementaire Oppervlak) als hulpmiddel kan worden gebruikt om het probleem te ondervangen van de schaalafhankelijkheid van de factoren die aan de runoff bijdragen. Met behulp van een REA is het mogelijk om een schaal te definiëren waarop de runoff met simpele vergelijkingen kan worden omschreven. Een conclusie is dat het REA-concept wordt ondergraven doordat de runoff respons afhangt van de inwendige structuur van het stroomgebied.

285. Cemile Nil Uzun, Gentrification in Istanbul: a diagnostic study. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 209 p., f 42.
Nil Uzun is een Turkse planologe, die aan de Universiteit Utrecht de mogelijkheid kreeg om haar dissertatie-onderzoek naar gentrification in twee stadswijken in Istanbul af te ronden. Die twee wijken zijn Cihangir en Kuzguncuk, van oorsprong Ottomaanse woongebieden uit de 15de eeuw. Door hun verschillende situation - respectievelijk dichtbij de CBD van Istanbul en aan de Anatolische kust van de Bosporus - is een vergelijking interessant. Gentrification in Cihangir kwam goed op gang toen ondernemers begonnen in te spelen op een spontaan ontstane vraag. In Kuzguncuk kwam het initiatief tot gentrification van een gedreven en populaire schrijver/architect, Cengiz BektaÕ, die zich er eind jaren zeventig vestigde en de wijkbewoners meekreeg. Kuzguncuk bleef dan ook beter in zijn oorspronkelijke vorm bewaard dan Cihangir. Behalve de uitkomsten van de quotumsteekproef bij 191 huishoudens, geeft Uzun ook informatie over het verstedelijkingsproces in het 20ste-eeuwse Turkije en over de historische stadsontwikkeling van Istanbul. Zij evalueert tevens de theorieën die in de loop der tijd over gentrification zijn ontwikkeld.

286. René Wintjes, Regionaal-economische effecten van buitenlandse bedrijven. Een onderzoek naar verankering van Amerikaanse en Japanse bedrijven in Nederlandse regio's. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 180 p., f 39,50.
Economisch-geografen hebben de laatste jaren veel belangstelling gekregen voor de mate waarin bedrijven verankerd zijn in hun regionale omgeving. Van buitenlandse bedrijven werd vaak gezegd dat hun verankering bescheiden was: ze bleven een onzeker bezit voor regio's. Wintjes heeft in een empirisch onderzoek daarover meer duidelijkheid verkregen. Via onder meer een enquête en vraaggesprekken heeft hij gepeild in hoeverre Japanse en Amerikaanse bedrijven in Nederland gebonden waren aan de regio. Het blijkt dat met name in Zuid-Nederland deze bedrijven tamelijk sterk verankerd zijn in de regio. Relatief veel aankopen worden verricht binnen dit landsdeel en ook nieuwe technieken en produkten worden ontwikkeld in samenwerking met in de regio gevestigde instellingen. Interessant is voorts dat in de eerste jaren na zijn komst een bedrijf nog sterk afhankelijk is van het moederbedrijf in de VS of Japan. Pas in de zogenaamde interactiefase worden de relaties met de regio van vestiging sterker. In de laatste (derde) fase bereiken de regionale effecten en verankering een maximaal niveau, maar tegelijkertijd treedt uitwaaiering van die effecten over een groter gebied op.

287. Thom Boogaard, Analysis of hydrological processes in unstable clayey slopes. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 192 p., f 42,50.
In het kader van het zogenaamde Hycosi-onderzoeksproject heeft Thom Boogaard een studie gemaakt van de hydrologische processen in kleihellingen die gevoelig zijn voor aardverschuivingen. Het ging hem om een drietal vragen:
- wat kan hydro- en geochemie bijdragen aan onze kennis van het hydrologische systeem in kleihellingen,
- welke processen domineren de grondwateraanvulling in onstabiele kleihellingen en hoe kunnen die worden gekwantificeerd,
- en, tenslotte, wat zijn de consequenties van veranderingen in landgebruik of klimaat voor onstabiele hellingen?
Boogaard heeft ten behoeve van zijn proefschrift veldwerk verricht op de Beline helling, een 36 ha groot gebied in de Franse Jura. Een conclusie is dat de grondwaterstand in de helling voornamelijk op seizoenale tijdschaal fluctueert. De onverzadigde zone dempt en vertraagt het neerslagsignaal. De seizoenaliteit van de grondwateraanvulling impliceert dat alleen in het geval van een erg natte onverzadigde zone grondwateraanvulling kan plaatsvinden. Hierdoor heeft neerslag een zeer beperkte vorspellende waarde op fluctuaties van de grondwaterstand. Maar gecombineerd met bodemvocht ontstaat toch een redelijk goede voorspeller voor deze fluctuaties.

288. Irene M.J. van Enckevort, Daily to yearly bar behaviour. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 174 p., f 35.
Langs een groot deel van de Nederlandse kust liggen een aantal evenwijdig aan de kust georiënteerde zandbanken op waterdieptes tot ongeveer zes meter. Deze zogenaamde kustnabije banken vormen een natuurlijke verdedigingslinie tegen kustafslag, doordat ze leiden tot dissipatie van de binnenkomende golfenergie. Sinds maart 1995 is het gedrag van deze banken voor de kust van Noordwijk dagelijks vastgelegd met behulp van het ARGUS video systeem. De videocamera's maken elk uur een tijdsgemiddeld beeld van de kustnabije zone. Deze beelden bevatten witte banen waar golven breken en waaruit de kustlangse vorm en de kustdwarse locatie van de kustnabije banken afgeleid kunnen worden. In dit fysisch-geografische proefschrift analyseert Irene van Enckevort deze videobeelden uit de periode maart 1995-september 1998. Doel is dat de opgedane kennis bijdraagt aan een beter begrip van het lange termijngedrag van kustnabije banken, hetgeen essentieel is om bestaande methoden voor kustverdediging te optimaliseren.

289. Ida J. Terluin, Rural regions in the EU. Exploring differences in economic development. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 265 p., € 27,50.
Ruraal Europa biedt de laatste vijftien jaar niet langer het stereotype beeld van banenverlies en ontvolking. Achterblijvende regio's zijn er uiteraard wel, maar menig ruraal gebied doet het goed of althans niet slecht. Hoe zijn die grote verschillen in economische ontwikkeling te verklaren? Veel theorieën zijn daarvoor beschikbaar; hun empirische status loopt uiteen. Ida Terluin - werkzaam bij het LEI - toetst tien van deze theorieën in 19 rurale gebieden in de Europese Unie (waaronder, in Nederland, Groningen en Drenthe). In hoeverre komt de theoretisch beredeneerde ontwikkeling overeen met de feitelijk geconstateerde ontwikkelingen, ervan uitgaande dat arbeid en kapitaal beschikbaar zijn? Het blijkt dat theorieën die de nadruk leggen op de rol van de locale actoren en de sterkte van interne en externe netwerken het meest sporen met de feitelijke ontwikkelingen. Ontbreken deze actoren en netwerken, dan stagneert de werkgelegenheidsontwikkeling. Terluin eindigt haar studie met aanbevelingen voor economische ontwikkelingsstrategieën voor rurale regio's.
OUT OF PRINT

290. Jakob Wallinga, The Rhine-Meuse system in a new light: optically stimulated luminescence dating and its application to fluvial deposits. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 180 p., f 45,00.
Datering van rivierafzettingen is niet makkelijk. Koolstofdatering wordt veel gebruikt, maar is niet geschikt voor onderzoek naar de reactie van rivieren op zeespiegelveranderingen als gevolg van ijstijden. Organisch materiaal ontbreekt namelijk in zulke gevallen vaak en bovendien kan koolstofdatering alleen betrouwbaar worden toegepast op afzettingen jonger dan 35 duizend jaar.
Daarom onderzoekt Jakob Wallinga in zijn proefschrift - een bundeling van eerder verschenen artikelen - of optisch gestimuleerde luminescentie (OSL) een beter geschikte methode is om zandige rivierafzettingen te dateren. Hij bespreekt de geschiktheid van OSL-datering, de problemen die daarbij kunnen optreden en gebruikt de methode om beter inzicht te krijgen in de reactie van het Rijn-Maas systeem op zeespiegelveranderingen tijdens de laatste twee cycli van glacialen en interglacialen. Zeespiegelveranderingen blijken van ondergeschikt belang bij de verklaring of materiaal wordt afgezet dan wel dat rivieren zich insnijden. Dit komt doordat de kustlijn tijdens een groot deel van de tijd ver verwijderd lag van haar huidige positie. Veel belangrijker zijn klimaatveranderingen.

291. Piet J. Korteweg, Veroudering van kantoorgebouwen: probleem of uitdaging. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 194 p., € 22,40.
Kantoorgebouwen verouderen, zowel in economisch-functionele zin, als (minder snel) in fysieke zin. Kantoren die in fysieke zin nog niet versleten zijn, kunnen toch leeg komen te staan, omdat op de markt nieuwe, up-to-date kantoorpanden worden aangeboden. Piet Korteweg, al dertig jaar kantooronderzoeker - eerst aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, later aan de Universiteit Utrecht - presenteert in zijn proefschrift de bevindingen van zijn studies naar de vraag met welke vormen van veroudering kantooreigenaren worden gefronteerd, wat de achtergronden daarvan zijn, en op welke manier zij daarmee om gaan. De empirische gegevens van het onderzoek zijn verzameld in Amsterdam en Rotterdam in de jaren 1990-1995, maar Kortewegs bevindingen lijken niet heel erg aan plaats en tijd gebonden. Een van de bindingen is bijvoorbeeld dat economisch veroudering kantooreigenaren voor serieuze problemen stelt, maar dat deze problemen wel oplosbaar zijn. `De belangrijkste belemmeringen voor goede oplossingen zitten bij sommige eigenaren zelf. Zij denken en handelen onvoldoende marktconform. Als van een realistisch beeld van de waarde van het verouderde object wordt uitgegaan zijn bijna altijd oplossingen denkbaar'.

292. Annika W. Hesselink, History makes a river. Morphological changes and human interference in the river Rhine, The Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 177 p., € 20,80.
History makes a river is een zeldzaam voorbeeld van een studie waarin twee disciplines met elkaar gecombineerd worden: fysische en historische geografie. Grondboringen en oude kaarten worden als gegevensbronnen gebruikt. Vanzelfsprekend zijn er dan ook twee promotoren: Ward Koster en Guus Borger. De studie zelf bestaat uit acht hoofdstukken, die als artikelen naar voornamelijk fysisch-geografische tijdschriften zijn gestuurd; of ze door het peer review proces komen is afwachten. Maar als dissertatie zijn ze geaccepteerd: Annika Hesselink promoveerde op 3 mei 2002.
Haar onderwerp is de morfodynamiek van de Rijn en Maas in de laatste paar eeuwen. Hoe zijn de stromingskarakteristieken van de Rijntakken vanaf 1700 veranderd (in 1707 werd het Pannerdensch Kanaal geopend waardoor een betere verdeling van de afvoer over de Rijntakken ontstond). Hoe hebben de uiterwaarden en de daarbij ontstane sedimenten zich ontwikkeld? En valt te reconstrueren wat er gebeurd is bij de dijkdoorbraak in het Land van Maas en Waal, in 1805? De resultaten van het daarvoor opgestelde overstromingsmodel blijken erg gevoelig te zijn voor de aanwezigheid van obstakels in de polder.

293. Maarten G. Kleinhans, Sorting out sand and gravel: sediment transport and deposition in sand-gravel bed rivers. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 317 p., € 36,80.
Rivierbeddingen en hun ligging veranderen doordat de stroming sediment verplaatst. Transport van sediment door de rivier wordt redelijk goed begrepen voor zand en grind apart, maar niet voor mengsels van zand en grind. In het Duits-Nederlandse grensgebied ligt in de Rijn over een traject van tientallen kilometers zowel grof zand als grind.
De Utrechtse fysisch-geograaf Maarten Kleinhans onderzocht in zijn proefschrift het gedrag van mengsels van zand en grind in de rivierbedding tijdens hoogwaters. Hoe wordt het sediment getransporteerd, om hoeveel sediment gaat het en hoe wordt het afgezet? Aan boord van een meetschip van Rijkswaterstaat verzamelde hij daarvoor gegevens in de Rijn rond de splitsing Waal en het Pannerdensch Kanaal. Ter vergelijking met de condities van de Rijn zijn ook metingen verricht in de Franse rivier Allier en drie series laboratoriumexperimenten gedaan (bij WL/Delft Hydraulics) in vele meters lange stroomgoten waarin sedimentmengsels aan stroming werden blootgesteld.

294. Rens van Beek, Assessment of the influence of changes in land use and climate on landslide activity in a Mediterranean environment. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 363p., € 30,50.
In Valles de Alcoy, Spanje, treden aardverschuivingen vaak op na neeslag. De steile hellingen in zachte mergels zijn zeer ontvankelijk voor het ontstaan voor aardverschuivingen. Daarnaast is het vegetatiedek belangrijk. Dat verandert, omdat boeren steeds meer velden braak laten liggen. Verlating van velden leidt tot regeneratie van semi-natuurlijke vegetatie.
De Utrechtse fysisch-geograaf Rens van Beek onderzocht in zijn proefschrift de invloed van veranderingen in landgebruik en in klimaat op het aardverschuivingsrisico. Dat is belangrijk omdat aardverschuivingen bijdragen aan bodemdegradatie, zowel direct (verplaatsing van materiaal) als indirect (door verstoring van het vegetatiedek dat tegen oppervlakkige erosie beschermt). In het bijzonder ging het om de variaties in ruimte en tijd van mogelijk initiërende neerslaggebeurtenissen (triggers), om lokale variaties in de ontvankelijkheid (susceptibility) voor aardverschuivingen, de invloed van de hydrologie, en de veranderingen in aardverschuivingsactiviteit ten gevolge van veranderingen in landgebruik en klimaat op middellange schaal. Scenario-onderzoek wijst uit dat een afname van die activiteit mogelijk is.

295. Ronald H. Kranenburg (2002) Buurtconsolidatie en urbane transformatie in El Alto. Een longitudinaal onderzoek naar veranderingsprocessen in de voormalige periferie van La Paz, Bolivia. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 221 p., € 24.
Utrechtse geografen hebben veel onderzoek gedaan naar het wonen in La Paz. Eerder promoveerden Otto Verkoren (1989; NGS 94) en Paul van Lindert (1991, NGS 136) op dit onderwerp. Het drieluik wordt voltooid met het proefschrift van Kranenburg, die langdurig volgde welke veranderingen de voormalige zelfbouwwijk Zona 16 Julio, gelegen in El Alto, een satellietstad van La Paz, heeft ondergaan. Inmiddels telt de Zona zo'n 50 duizend inwoners en barst het van de bedrijvigheid (winkels, markten, ambachten). De residentiële en economische dynamiek zijn zichtbaar in de sterk stijgende grondprijzen en in de townscape: er is een geweldige verdichting en intensivering van het ruinmtegebruik opgetreden. Percelen zijn opgesplitst, hoogbouw heeft de lage adobe woningen vervangen. Een van de bevindingen is dat buurtverbetering niet leidt tot meer gelijkheid. Sterkeren - zoals eigenaar-bewoners - trokken het meeste profijt, maar bijvoorbeeld ook veel huurders hebben een graantje meegepuikt van de upgrading.

296. Lajos L. Brons (2002) Ondernemersgedrag en de dialectiek van cultuur en economie. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 123 p., € 12.
Het komt maar heel zelden voor dat een doctoraalscriptie goed genoeg is om uitgave in de NGS-reeks te rechtvaardigen. Maar de Groningse student economische geografie Lajos Brons schreef er een, onder leiding van Piet Pellenbarg. Het is een breed uitwaaierende analyse van wat grote denkers in verleden en heden hebben betoogd over de relatie tussen economie, de nationale en de regionale cultuur. Het bijzondere is dat Brons de veronderstelde causale relaties in een model onderbrengt. Dat model veronderstelt dat welvaart cultuur beïnvloedt en dat cultuur via ondernemersgedrag en andere intermedairs economische groei stuurt. Brons probeert het model vervolgens te toetsen aan de hand van beschikbare databestanden. Een conclusie is dat een hoge welvaart leidt tot individualisme en post-materialisme, maar dat een duidelijk verband in de omgekeerde richting niet lijkt te bestaan. Ook ontwerpt Brons een kaart waarin regio's in Nederland worden getypeerd met behulp van de aan Hofstede ontleende dimensies van collectivisme, masculiniteit, anti-conservatisme en ongelijkheid.

297. C.J. Pen (2002) Wat beweegt bedrijven. Besluitvormingsprocessen bij verplaatste bedrijven. Utrecht/Groningen: KNAG/FRW, RUG. 349 p., €25. (Deze NGS is uitverkocht en kan niet meer worden besteld)
Groningse economisch-geografen als Pellenbarg en Meester hebben een reputatie opgebouwd met onderzoek naar hoe, waarom en waarheen bedrijven zich verplaatsen. Dit lijvige proefschrift van Cees-Jan Pen continueert deze Groningse traditie. Het geeft een bijna complete analyse van wat over lokatietheorieën en besluitvorming bekend is, introduceert in de geografie weinig bekende modellen van strategische besluitvorming, bespreekt behaviouraal locatie-onderzoek en bestudeert de relatie tussen bedrijfsmigratie, bedrijfsterreinplanning en de overheid. Daarnaast heeft Pen ook veldwerk verricht: een schriftelijke enquête onder de bedrijven die in het bedrijvenpanel van de faculteit zijn opgenomen, diepte-interviews met 36 besluitnemers van recent verplaatste bedrijven en twee case-studies: van Philips DAP (van Groningen naar Amersfoort) en Grolsch (van Groenlo en stadscentrum Enschede naar een greenfield locatie op de Groote Plooy). Onmisbaar boek voor wie op dit terrein werkzaam is.

298. Morrée, Dirkje Johanna de (2002) Cooperación campesina en los Andes. Un estudio sobre estrategias de organización para el desarrollo rural en Bolivia. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 179 p., € 17,60.
Spaanstalig proefschrift (met een samenvatting in het Nederlands en Engels) over, zoals de letterlijke vertaling van de titel luidt,'Boerensamenwerking in de Andes. Een studie naar organisatiestrategieën voor plattelandsontwikkeling in Bolivia'. Dicky de Morrée onderzocht in een van de armste gebieden van Bolivia (het noorden van de departementen Chuquisaca en Potosí) hoe boeren onderling samenwerken en hoe hun relatie is met de vele NGO's die in het gebied actief zijn sinds de grote droogte van 1982-1983. Veel boeren blijken elkaar te helpen, bijvoorbeeld omdat ze familie van elkaar zijn, of werken in ruil voor landbouwproducten enkele dagen op een boerderij van een dorpsgenoot. Daarnaast bestaan er dorpsorganisaties die een belangrijke rol spelen in de agrarische productiesystemen. Het gaat dan om het beslechten van conflicten over grondeigendom of om de organisatie van de waterverdeling. Ten slotte zijn er economische boerenorganisaties, die diensten verlenen aan hun leden (bijvoorbeeld verhuur van tractoren) of zich bezig houden met landbouwproducten.

299.Nijenhuis, G. (2002) Decentralisation and popular participation in Bolivia. The link between local governance and local development. Utrecht: FRW, UU/KNAG. 205 p., € 22,50.
In de jaren tachtig en negentig hebben veel landen in Zuid-Amerika een politiek-bestuurlijke decentralisatie uitgevoerd: macht werd van de hoofdstad naar gemeenten overgeheveld. Dat gebeurde ook in Bolivia, in 1994. Gery Nijenhuis evalueert in haar proefschrift de belangrijkste kenmerken van het Boliviaanse decentralisatiemodel en analyseert vervolgens in hoeverre dit model heeft geleid tot lokaal bestuur dat participatief en transparant is, duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden kent en toegankelijk is voor alle groepen in de bevolking. Ten slotte beziet ze in hoeverre het decentralisatiebeleid in Bolivia de mogelijkheden voor lokale ontwikkeling heeft vergroot. Om deze vragen te beantwoorden, interviewde Nijenhuis in de jaren 1997-1999 burgemeesters, leiders van bevolkingsorganisaties en NGO's, enzovoorts in zes uiteenlopende plattelandsgemeenten in het departement Chuquisaca, één van de armste gebieden in Bolivia. Ook analyseerde zij secundair bronnenmateriaal als planningsdocumenten en projectinformatie. Het blijkt dat de decentralisatie geen papieren aangelegenheid is gebleven: het lokale bestuur is daadwerkelijk in beweging gekomen.

300. International Geographical Union, Section The Netherlands (2002), Dutch geography and Africa. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 160 p., € 20.
Het aprilnummer van Geografie (1999) was grotendeels gewijd aan Afrika. Het bevatte onder meer een overzicht van wat Nederlandse geografen in de loop der tijd hadden geschreven over Afrika. Heel veel meer bibliografische informatie over dit onderwerp vindt men in deze NGS, samengesteld ter gelegenheid van een IGU-conferentie in Durham, augustus 2002. Tweederde van de 160 pagina's wordt door deze `bibliography of Dutch geographical publications about Africa' in beslag genomen; samensteller Koen Kusters - een Amsterdamse geograaf -bracht een overzichtelijke indeling aan naar dissertaties, tijdschriftartikelen, boeken en rapporten, alsmede hoofdstukken in boeken/rapporten. De NGS wordt afgesloten met een artikel van de Utrechtse historisch-kartograaf Peter van der Krogt over de kaarten die Nederlandse atlassen uit de 16de en 17de eeuw (Ortelius, Mercator-Hondius, Blaeu) bevatten over (delen van) Afrika. Vanwege de betrekkelijke simpele vorm van Afrika was de omtrek van het continent al vroeg in kaart gebracht; het binnenland bleef daarentegen lang een witte plek.

301. Davide Geneletti, Ecological evaluation for environmental impact assessment. Utrecht/.Amsterdam: KNA/Fac. Economische Wetenschappen en Econometrie, VU. 221 p., € 27.
Milieu Effect Rapportages zijn bij een flink aantal voorgenomen ruimtelijke projecten verplicht. Bij zo'n MER wordt gekeken welke milieuschade een project bij uitvoering zou kunnen aanrichten. Volgens de Italiaanse onderzoeker Geneletti, die enige jaren verbonden was aan het ITC en aan de VU, besteedt een MER weliswaar ook aandacht aan de effecten op de ecologie (zoals biodiversiteit en habitats), maar schiet de kwaliteit van de gebruikte methode vaak tekort. Gevolg is dat in de besluitvorming met de ecologische effecten minder rekening wordt gehouden dan eigenlijk wenselijk zou zijn. Geneletti stelt zich tot doel de uitbreiding van het gebruik van ecologische evaluatie binnen een MER. Hij richt zich speciaal op de impact van wegaanleg op de biodiversiteit van gebieden waardoor die weg heen gaat lopen. Hij ontwikkelt een methodologie van de biodiversiteiteffectrapportage en past de voorgestelde werkwijze toe op het Trento-Rochetta wegenbouwproject in een Noord-Italiaanse Alpenvallei.

302. Bart Grasmeijer Process-based cross-shore modelling of barred beaches. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 251 p., € 28,80.
In de reeks Utrechtse fysisch-geografische proefschriften over het gedrag van zandbanken voor de Nederlandse kust is dat van Grasmeijer de meest recente. Hij beschrijft een `state of the art' kustdwars profielmodel. Kustbeheerders gebruiken dit soort modellen - dat de waterbeweging in een lijn loodrecht op de kust beschrijft - veel. Bijvoorbeeld bij het voorspellen van het gedrag van zandsuppleties waarbij extra zand vlak voor de kust wordt aangebracht ter bescherming van het strand. Op basis van golfhoogtes en stromingen wordt het zandtransport berekend en daaruit worden de bodemveranderingen bepaald.
Berekeningen met het model vergeleek Grasmeijer met metingen onder laboratoriumcondities maar ook met metingen in de natuur. Uit deze vergelijking blijkt het voor een voldoende nauwkeurige beschrijving van de golven en stroming niet nodig te zijn alle golven afzonderlijk te berekenen. Het gaat al goed op grond van één representatieve golf. Het blijkt echter erg lastig om in modellen de onderstroom onder brekende golven te berekenen. Dat maakt het moeilijk om te voorspellen hoe zandbanken zich feitelijk verplaatsen. Niettemin voorspelt het model het zandtransport dichtbij de kust redelijk goed.

303. Jouke van Dijk, Paul Elhorst, Jan Oosterhaven en Egbert Wever, red., 2002. Urban regions: Governing interacting economic, housing, and transport systems. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 398 p., € 41,50.
Sinds 1998 organiseert de European Regional Science Association (ERSA) jaarlijks in de zomer een seminar waarop ervaren en jonge onderzoekers van gedachten kunnen wisselen. In 2001 was de Nederlandse sectie van ERSA aan de beurt om het Summer Institute te organiseren; in juni van dat jaar vond het plaats in Groningen. Thema: `to live and to work in different urban systems'. In deze bundel zijn de 22 papers, in een herziene vorm, opgenomen. Zoals de redacteuren in hun voorwoord toegeven is de coherentie van de bundel niet groot. Maar voor iemand die zeg informatie nodig heeft over de economische geografie van Zaragoza, over steden in Tatarstan, over verhuizingen in Budapest, of over clusters in de Mexicaande telecommunicatiesector, kan in deze bundel terecht. In veel bijdragen zijn behoorlijk wat wiskundige formules opgenomen.

304. Rutger Dankers, Sub-arctic hydrology and climate change. A case study of the Tana River Basin in Northern Fennoscandia. Utrecht:KNAG/FRW, UU. 237 p., € 24.
Volgens vele experts zijn subarctische gebieden bijzonder gevoelig voor klimaatsveranderingen. En omgekeerd: door veranderingen in albedo (verhouding tussen absorptie en reflectie van warmte) en hoeveelheid zoet water die naar de Noordelijke IJszee wordt afgevoerd, kunnen veranderingen in de hydrologische kringloop van subarctische gebieden op hun beurt het mondiale klimaatwereld beïnvloeden. Dankers stelde zich tot doel om de gevoeligheid vast te stellen van het hydrologische systeem van Noord-Fennoscandië voor veranderingen in het klimaat die door de mens worden veroorzaakt. Hij verzamelde gegevens in het stroomgebied van de Tana, een rivier die de grens vormt van Noorwegen en Finland. Het blijkt dat de gevoeligheid groot is. Een minder lange sneeuwbedekking, meer verdamping en een grotere zoetwaterafvoer zijn te verwachten, met alle consequenties vandien voor de ecologie van het subarctische landschap.

305. Derek Karssenberg, Building dynamic spatial environmental models. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 222 p., € 21.
Dit proefschrift is - gelet op de moeilijkheidsgraad - bestemd voor specialisten op het gebied van dynamische ruimtelijke landschapsmodellen. Fysisch-geograaf Derek Karssenberg evalueert of de huidige technologie en wetenschap voldoende kennis en middelen ter beschikking heeft om de modelbouwcyclus - die bestaat uit diverse procedurele stappen - bevredigend te doorlopen. Vier onderwerpen komen aan bod: modelprogrammering (hoe geschikt zijn landschapsmodelleertalen in vergelijking met systeemprogrammeertalen?), de opschaling (upscaling) van veldgegevens die verzameld zijn met een kleine support, de methode van inverse modelling (of inverse estimation) voor het schatten van de invoer en de parameters van een model, het trainen van mernsen in het uitvoeren van alle stappen in de modelbouwcyclus. Een van de conclusies: de complexiteit van opschaling belemmert de ontwikkeling van software die opschaling toegankelijk maakt voor een bredere groep van onderzoekers, in een breed scala van landschapsmodellen.

306. Hans Pieter Broers, Strategies for regional groundwater quality monitoring. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 231 p., € 24,50.
Het doel van dit proefschrift is om `hydrogeochemische, hydrologische en meetnetstatistische kennis en methoden te integreren in het ontwerp, de data-analyse, de evaluatie en de optimalisatie van grondwaterkwaliteitsmeetnetten'. Geografisch bezien gaat het om de regionale meetnetten van Drenthe en Noord-Brabant, waar de aandacht uitgaat naar de monitoring van grondwaterkwaliteit in relatie tot diffuse verontreinigingen (zoals pesticiden die in de landbouw worden gebruikt). Broers centrale hypothese was dat een effectiever meetnet ontstaat als hydrologische en hydrogeochemische kennis en informatie wordt gecombineerd via concepten van advectief en reactief transport. Het onderzoek maakt duidelijk dat deze hypothese klopt. De belangrijkste systeemeigenschappen voor de monitoring van diffuse verontreinigingen blijken de 3D reistijdenverdeling in de aquifer te zijn, en de reactiviteit van de geïntroduceerde opgeloste stoffen en doorstroomde sedimenten.

307. Rudi Hessel, Modelling soil erosion in a small catchment on the Chinese Loess Plateau. Applying LISEM to extreme conditions. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 317 p., € 32.
De Gele Rivier (Huanghe) in China krijgt voor 90% haar sedimenten van het Lössplateau waardoor ze stroomt. Stroomafwaarts vergroot de geweldige hoeveelheid sediment de gevaren op overstromingen. Alleen daarom is er alle reden om te proberen de erosie op het plateau - dat behoort tot de gebieden die wereldwijd de hoogste erosiesnelheden hebben - te verminderen. Sedimentconcentraties van 500 tot 1000 gram per liter afvoer komen regelmatig voor. Die erosiesnelheid hangt samen met het semi-aride klimaat, de lage vegetatiebedekking, de erodeerbaarheid van de bodems, de steile hellingen en de hevige buien in de zomer.
Fysisch-geograaf Rudi Hessel paste het bodemerosiemodel LISEM (Limburg Soil Erosion Model) toe op een klein, heuvelachtig en door gullies doorsneden stroomgebiedje dat onderdeel is van het Lössplateau. In het stroomgebied lagen zowel graslanden, akkers als braakliggende akkers. Gegevens over plant- en bodemeigenschappen, neerslag, afvoer en sedimentconcentratie en eigenschappen verzamelde hij in veldwerken tussen 1998 en 2000.

308. Sandra van der Linden, Icy rivers heating up. Modelling hydrological impacts of climate change in the (sub)arctic. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 174 p., € 19,90.
Geteisterd door vleesetende vliegen, deed Sandra van der Linden in het kader van het EU-project TUNDRA (Tundra Degradation in the Russian Arctic) twee zomers veldwerk in Noordeuropees Rusland. Zij verzamelde in het stroomgebied van de Usa gegevens voor haar onderzoek naar de potentiële invloed van klimaatverandering op de waterbalans en de rivierafvoer in arctische gebieden. Een toename van de jaarafvoer van 40% als gevolg van opwarming van de aarde blijkt tot de mogelijkheden te behoren. Behalve op jaarbasis, werkte ze ook op tijdschalen van maanden en vijfdaagse perioden. Dit maakte niet alleen een evaluatie mogelijk van jaarlijkse veranderingen in de hoeveelheid afvoer, maar ook van variatie in timing en hoeveelheid afvoer per seizoen en veranderingen in afvoer op korte termijn als gevolg van extreme gebeurtenissen. Ze paste een macroschaal hydrologisch model dat oorspronkelijk ontwikkeld was voor gematigde gebieden aan aan de koude omstandigheden in het Usa stroomgebied. De meeste hoofstukken uit haar proefschrift verschijnen ook in artikelvorm.

309. Tialda Haartsen, Platteland: boerenland, natuurterrein of beleidsveld? Een onderzoek naar veranderingen in functies, eigendom en representaties van het Nederlandse platteland. Utrecht: KNAG/FRW, RU Groningen. 186 p., € 20.
Zoals de ondertitel van dit Groningse proefschrift al duidelijk maakt, deed Tialda Haartsen drie deelonderzoeken. Welke functieveranderingen heeft het Nederlandse platteland na 1950 meegemaakt (het bodemgebruik is er minder veranderd dat veelal wordt gedacht), hoe is het grondeigendom in dezelfde periode gewijzigd (minder pacht, meer eigendom; boeren hebben meer landbouwgrond in eigendom gekregen, overige particulieren minder) en welke beelden bestaan er van het platteland bij diverse groepen? Deze laatste vraag krijgt de meeste aandacht. Haartsen verzamelde zelf de gegevens daarvoor, onder meer door te vragen welke associaties mensen, die niet direct bij het platteland betrokken zijn, hebben bij de term `platteland/landelijk gebied'. Jongeren blijken vooral aan landbouw te denken, ouderen aan natuur. Naast deze leken, ondervroeg Haartsen ook `actoren': zij die wel betrokken zijn bij het platteland. Boeren, zo blijkt, denken anders over platteland dan beleidsmakers, natuurorganisaties en plattelandsvrouwen.

310. Fabbri, K.P. A framework for structuring strategic decision situations in integrated coastal zone management. Utrecht/Amsterdam: KNAG/Fac. Economische Wetenschappen en Econometrie VU. 269 p., € 29.
Wereldwijd staan kustgebieden onder druk, al was het alleen maar vanwege het feit dat ongeveer de helft van de wereldbevolking er leeft. Er is daarom grote behoefte aan een gestructureerd kader waarbinnen de besluitvorming rond integraal kustzonebeheer geformaliseerd kan worden. De van origine Canadese geografe Karen Fabbri - die in Nederland aan het ITC studeerde - ontwikkelt in haar proefschrift een drie fasen-methodiek (door haar aangeduid als de SSS-methodologie, spreek uit: `tripel S') waarmee besluitvormingsprocessen omtrent milieubeheer door een combinatie van methoden en hulpmiddelen worden ondersteund. De bruikhaarheid van haar methode testte ze in een case-studie: de regio Brest, in Bretagne.

311. Karin Pfeffer, Integrating spatio-temporal environmental models for planning ski runs. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 238 p., € 21,50.
De Oostenrijkse geografe (en skiër) Karin Pfeffer was tussen 1998 en 2002 werkzaam als AIO bij de afdeling fysische geografie van de Universiteit Utrecht. In die jaren hield ze zich bezig met het ontwikkelen van een model dat de keuze van een precieze lokatie van een nieuw aan te leggen skipiste kon bepalen, zodanig dat het landschap en het natuurlijk milieu daaronder het minst te lijden hadden. Ze testte het model in het Tiroolse skigebied Sölden.
Pfeffer rapporteert over haar onderzoek in haar dissertatie. Voor het vinden van de beste lokatie van een nieuwe skipiste binnen een bepaald skigebied moeten alle mogelijke lokaties voor de piste worden beschreven in termen van de te verwachten impact op landschap en milieu. Vervolgens moeten de mogelijke pistes worden gerangschikt van een lage naar een hoge te verwachten impact. Daarvoor gebruikte ze multicriteria analysetechnieken.

312. F.J.L. Faaij, J.H.L.H. Niemans en H.J. Verdonk, red., 2003. Creatief ruimtegebruik. De rol van de overheid ondersteboven. Utrecht: KNAG/VUGS/Kennisnetwerk Habiforum. 91 p., € 12.
Elke Nederlander heeft, zo rekende VROM-ambtenaar Steef Buijs uit, een gebied van vijftig bij vijftig meter ter beschikking. Als we steeds minder bereid zijn dat gebied met anderen te delen, dan wordt Nederland voller en voller, zelfs bij een constant blijvende bevolking. Neemt de bereidheid tot delen toe, dan wordt Nederland minder vol, ook bij een groeiende bevolking. Aldus Buijs in zijn bijdrage aan Creatief ruimtegebruik. In deze bundel zijn de negen voordrachten opgenomen van de sprekers op het lustrumcongres van de VUGS, de Vereniging van Utrechtse Geografie Studenten die in okotober 2002 tachtig jaar bestond. Hoe kunnen we functies op een originele manier met elkaar combineren en kan men alleen tot een intensiever en creatiever ruimtegebruik komen als de overheid actief optreedt? Volgens Len de Klerk, hoogleraar planologie aan de UvA, moet de laatste vraag ontkennend worden beantwoord. Het is een `idée reçue van in het vak vergrijsde planologen'.

313. A.J.F. Hoitink, 2003. Physics of coral reef systems in a shallow tidal embayment. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 142 p., € 15.
Dit fysisch-geografische proefschrift van Ton Hoitink bestaat uit een bundeling van artikelen die (hopelijk) in wetenschappelijke tijdschriften zullen worden gepubliceerd. Hoitink deed onderzoek in de Baai van Banten, die ligt aan de zuidwestelijke rand van Java. Dat onderzoek moet bijdragen aan de kennis omtrent, zoals Hoitink zelf zegt:
- de fysische mechanismen die bepalend zijn voor de regionale variatie in troebelheid, zoutgehalte, verticale menging van zout en zoet water en de aanvoer van riviersediment in de omgeving van riffen bij de kust, en:
- lokale sedimentaire processen ter plaatse van koraalrifhellingen, welke van invloed zijn op zeewaterdoorzicht en het neerslaan van sediment op koraal assemblages.
Hoitink concludeert dat koraalriffen kunnen voortbestaan in de nabijheid van een eroderende riviermonding, dankzij menging en door het optreden van een seizoenskoppeling tussen verschillende fysische kustprocessen. De troebelheid rond de koraalriffen in de baat limiteert de diepte tot waar koraalgroei mogelijk is.

314. Jeroen Schokker (2003) Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment. Roer Valley Graben, south-eastern Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 142 p., € 16.
In de Roerdalslenk, gelegen in Midden- en Oost-Brabant en in Noord- en Midden-Limburg, is de afgelopen half miljoen jaar een tot 35 meter dik pakket fijnkorrelige beek- en windafzettingen (fluvio-eolische afzettingen) en veen gevormd. Jeroen Schokker heeft voor zijn dissertatie deze sedimenten bestudeerd. De studie leverde, in de woorden van de auteur, de volgende resultaten op:

  • een goed gedefinieerde lithostratigrafische indeling van deze afzettingen, waarbij als nieuwe eenheden de Formatie van Boxtel, het Laagpakket van Best en het Laagpakket van Liempde zijn gedefinieerd;
  • een reconstructie van de herkomst van de rivier- en windafzettingen, van de overheersende sedimentaire processen en de ontwikkeling van het locale afzettingsmilieu;
  • een bepaling van de ouderdom van de afzettingen, gebaseerd op kwarts OSL [Optisch Gestimuleerde Luminescentie]-dateringen en gekoppeld aan regionale tectonische gebeurtenissen en Kwartaire klimaatveranderingen.

315. Hin, J. Ethnic and Civic Identity: Incompatible Loyalties? The case of Armenians in Post-Soviet Georgia. Utrecht/Amsterdam: KNAG/FMG, UvA. 217 p., € 20.
Veel staten hebben een multi-etnische bevolking. Voelen mensen die lid zijn van een etnische minderheid zich ook een loyaal burger? De Amsterdamse sociaal-geografe Judith Hin preciseert deze vraag in haar proefschrift: identificeren Armeniërs in Georgië zich met het land? Maar weinig, zo blijkt. Vooral Armeniërs die in de stad wonen, hebben weinig steun en respect voor politieke staatsinstituties en de wetten van de staat. Daarentegen zijn ze trots (ook de gerussificeerde Armeniërs onder hen) op hun Armeense identiteit. De meeste Georgiërs vinden dat Armeniërs geen kapsones moeten krijgen; zij gaan dan ook geen nauwe banden met hen aan. Hin deed haar veldwerk in 1998, toen Sjevarnadze aan de macht was. Misschien is de situatie in 2004 beter.

316. Kim M. Cohen (2003) Differential subsidence within a coastal prism. Late-Glacial - Holocene tectonics in the Rhine-Meuse delta, the Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW UU. 172 p., € 28 (inclusief twee kleurenkaarten).
Nederland ligt op de rand van een dalingsgebied. Het westen en noorden dalen, het zuiden en oosten zijn min of meer stabiel en Zuid-Limburg komt omhoog. Tectonische breuken verdelen de ondergrond in blokken. Ieder blok daalt met zijn eigen snelheid: de differentiële bodemdaling waarover de titel van Cohens proefschrift spreekt. In Cohens studiegebied loopt een actieve breukzone: de Peelrandbreuk. De Rijn en Maas liggen dwars over deze breukzone. Hun rivierlopen hebben zich voortdurend verlegd. Daardoor zijn rivierbeddingen van verschillende ouderdom in de ondergrond terug te vinden. De geologische geschiedenis van het gebied is uit de afzettingen af te leiden. Die afzettingen laten een complex beeld zien van rivieren die reageren op tektonische bewegingen en cyclische klimaatverandering, samenhangend met de ijstijden.
In het verleden heeft men zich vooral geconcentreerd op klimaat- en zeespiegelreconstructies ter verklaring van de opbouw van de delta. De rol van variaties in tektonische activiteiten was nog relatief onbekend. Cohen concentreert zich op de tektonische activiteit en de invloed daarvan op de riviersystemen in Midden-Nederland, bovenop de invloeden van klimaat en zeespiegel.

317. Marek Gielczewski (2003) The Narew River Basin: a model for the sustainable management of agriculture, nature and water supply. Utrecht: KNAG/ FRW, UU. 184 p., € 21.
Ten noordoosten van Warschau ligt het stroomgebied van de Narew, in oppervlakte ongeveer tweederde van Nederland. Het is een dunbevolkt agrarisch gebied met veel natuurschoon en betrekkelijk weinig vervuiling. De Narew zou de problemen die Warschau nu heeft met de watervoorziening kunnen oplossen; tot op heden betrekt de stad haar water uit de vervuilde Vistula. Maar dan moet de Narew wel schoon blijven. En dat hangt weer af van de toekomstige ontwikkeling van het stroomgebied. De Poolse geograaf Marek Gielczewski ontwikkelt twee scenario's. Het eerste veronderstelt dat Polen na toetreding tot de EU de landbouw in het gebied gaat intensiveren; eutrofiëring van het milieu is dan te verwachten. In het tweede scenario ontwikkelt het gebied zich op duurzame wijze, conform de actuele ideeën over een overgang naar biologische landbouw in gebieden met een hoge natuurwaarden. `Dit proefschrift', aldus de auteur, `illustreert de waarde van het [door hem ontwikkelde] geïntegreerde beslismodel doordat het de effecten inzichtelijk maakt van twee heel verschillende ontwikkelingsstrategieën voor het stroomgebied'.

318. Vivienne Rae Milligan (2003) How different? Comparing housing policies and housing affordability consequences for low income households in Australia and the Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 293 p., € 22,50.
Na meer dan twintig jaar gewerkt te hebben in het huisvestingsbeleid in Australië, besloot Vivienne Milligan tot een 'career-break'. Aan de Universiteit Utrecht ging ze onderzoek doen naar de verschillen tussen het huisvestingsbeleid in Australië en Nederland, en de conseqenties die deze verschillen hebben voor de beschikbaarheid van betaalbare huisvesting voor huishoudens met een laag inkomen. Hebben de overheden in beide landen zich tussen 1945 en 2000 ingespannen om betaalbare woningen aan te bieden? Leidt het beleid van Australië en Nederland tot betaalbare huisvesting voor huishoudens met een laag inkomen? Een van de conclusies is dat huursubsidies (in verschillende vormen) in beide landen de belangrijkste middelen zijn om woningen voor een schappelijke prijs te kunnen aanbieden. Steeds meer huishoudens krijgen ook zo'n huursubsidie. Een andere conclusie is dat in beide landen - maar vooral in Australië - een residualisering dreigt van de huursector.

319. Wever, Egbert, ed. Recent urban and regional developments in Poland and the Netherlands. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 90 p., € 25.
Enkele voordrachten van economisch-geografen uit Nederland en Polen op een seminar in Utrecht, november 2001, zijn in dit bundeltje verzameld. Bijdragen van Poolse geografen over milieubeleid, volkshuisvesting en economisch-stedelijke groei in Polen, en van Nederlandse geografen over het plannen van bedrijfsterreinen (Pellenbarg) en jonge bedrijven in Nederland (Schutjens en Stam). Vreemde eend in de bijt is een artikel over HIV/AIDS en zijn gevolgen voor Zuid-Afrika. Prijs is hoog, gelet op het gebodene. Waarschijnlijk is die ooit vastgesteld voor een aanvankelijk voorziene veel dikkere bundel.

320. Quirós, M.K. Institutional capacities for sustainable progress. Experiences from Costa Rica. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 159 p., € 21.
In het afgelopen decennium heeft Costa Rica een goede naam gekregen op het gebied van natuurbescherming en ecologische duurzaamheid. De Costaricaanse Miriam Miranda Quirós, die in de VS afstudeerde in `social geography and rural development', onderzocht in dit milieukundige proefschrift de institutionele capaciteit die haar land heeft ontwikkeld om duurzame ontwikkeling te realiseren. Ze deed dat in een reeks case-studies, waarvoor ze via documentenanalyse, diepte-interviews, surveys en focusgroepen materiaal verzamelde. Zo onderzocht ze het in 1992 tussen Costa Rica en Nederland gesloten duurzaamheidsverdrag, bosbeheer, convenanten voor bescherming van stroomgebieden, relaties met toerisme, en een met Noors ontwikkelingsgeld gestart herbebossingsproject. Ook vergeleek ze de institutionele capaciteiten inzake de koolstofmarkt in Costa Rica, Ecuador en Guatemala.

321. Helvoort, Pieter-Jan, Complex confining layers. A physical and geochemical characterization of heterogeneous unconsolidated fluvial deposits using a facies-based approach. Utrecht: KNAG/FRW, UU. 147 p., € 20.
'
Een goede karakterisatie', aldus Pieter-Jan van Helvoort in zijn samenvatting van zijn proefschrift, 'van de hydraulische en chemische eigenschappen van de ondergrond is essentieel bij het succesvol modelleren van stoftransport in het grondwater. Deze transportmodellen worden in toenemende mate gebruikt om de verspreiding van verontreinigingen te kunnen begrijpen en voorspellen, maar de karakterisatie van de input parameters is vaak nog zeer beperkt. Dit komt doordat sedimentaire afzettingen vaak erg heterogeen zijn, waardoor de eigenschappen van de ondergrond op korte afstand al erg kunnen variëren'.
Daarom werken onderzoekers met zgn. facies, min of meer homogene eenheden in een heterogene ondergrond, te onderscheiden op basis van sedimentologische kenmerken en lithologie. Het algemene doel van Van Helvoorts onderzoek is na te gaan of de faciesbennadering geschikt is om heterogene rivierafzettingen, zoals aangetroffen in de Rijn-Maasdelta (in Nederland) fysisch en geochemisch te karakteriseren.

322. Uitermark, J. De sociale controle van achterstandswijken. Een beleidsgenetisch perspectief. Utrecht/Amsterdam: KNAG/FMG, UvA. 178 p., € 19.
Stedelijk beleid, aldus Justus Uitermark in zijn als NGS uitgegeven doctoraalscriptie, wordt vaak gepresenteerd `als de uitkomst van weloverwogen beslssingen van goedbedoelende beleidsmakers'. Uitermark daarentegen ziet beleid eerder als de uitkomst van confrontaties tussen allerlei partijen en belangen. De achterflap: `deze cynische conclusie is niet zozeer bedoeld als een kritiek op beleid maar dient eerder als vertrekpunt voor verdere analyse. Immers, een benadering waarbij niet van te voren aangenomen wordt dat beleid bedoeld is om bewoners van achterstandswijken te helpen, veronderstelt dat problemen als leefbaarheid en inkomenswijken niet gegeven zijn. Deze studie verklaart dan ook waarom juist deze begrippen de Nederlandse en Vlaamse beleidsagenda's domineren'.

323. Wilbers, A. The development and hydraulic roughness of subaqueous dunes. Utrecht: KNAG/Geowetenschappen, UU. 227 p., € 22.
De waterhoogte in rivieren wordt niet alleen bepaald door de hoeveelheid water, maar ook door de mate van opstuwing door allerlei obstakels in de rivier. De aandacht van Antoine Wilbers gaat uit naar een bepaald soort obstakels, namelijk (onderwater) duinen op de bodem van de rivier. Hoe reliëfrijker de bodem, hoe trager de stroming en hoe meer het water wordt opgestuwd. De duinen, gevormd door het transport van los bodemmateriaal, liggen loodrecht op de stroming. Ze kunnen, afhankelijk van de waterdiepte, in middelgrote rivieren soms tientallen meters lang worden, en in hoogte variëren van enkele decimeters tot een paar meter. Wilbers onderzocht voor de Rijn in Nederland hoe deze onderwaterduinen ontstaan en zich ontwikkelen, en in het bijzonder de stromingsweerstand die ze veroorzaken.

324. Bas van Maren, *Morphodynamics of a cyclic prograding delta: the Red River, Vietnam.* KNAG/FGW, Utrecht. 167 p., € 37,50.
Jaarlijks transporteert de Rode Rivier honderd miljoen ton aan sedimenten naar de Golf van Tonkin. Aan de monding bouwt de hoofdgeul, de Ba Lat, een deltacomplex op. De groei van dit deltacomplex kenmerkt zich door fasen van snelle uitbouw en relatieve stagnatie, waarin golfdominantie en rivierdominantie elkaar als belangrijkste processen lijken af te wisselen. Bas van Maren stelt zich in dit Utrechtse proefschrift (waarvan gedeelten al eerder verschenen in wetenschappelijke tijsdschriften) ten doel om deze groeipatronen te relateren aan golf-, getij- en rivierprocessen. Hij voegt historische en geologische informatie bijeen tot een conceptueel model voor de groei van de Ba Lat Delta, bepaalt uitstromingspatronen die hij relateert aan lange termijnontwikkeling van het deltafront, modelleert sedimenttransportpatronen op het deltafront door golven-, getij- en windgedreven stroming en analyseertde vorming van een barrière-eiland op het detafront van de Ba Lat.

325. Ton Dietz, Piet Hoekstra & Frans Thissen, eds. *The Netherlands and the North Sea. Dutch Geography 2000-2004. KNAG/IGU Nederland, Utrecht. 156 p., € 29.
Afgelopen zomer was in Glasgow het elke vier jaar terugkerende wereldcongres van de Internationale Geografische Unie. Veel landensecties van de IGU bieden congresgangers boekjes en tijdschriftspecials aan. IGU-Nederland verzorgde een NGS over de Noordzee en haar kusten. Het accent ligt op de fysische geografie; misschien wel de interessantste bijdrage is die van Henk Berendsen: `River and the sea: how science went wrong explaining the formation of The Netherland's coastal plain'. Maar ook aandacht voor de relatie tussen Nederland en de Noordzee in het verleden, de Nederlandse visserij op de Noordzee en de planologie van de Noordzee. Ook opgenomen: een bibliografie - in totaal 64 pagina's, dicht bedrukt - met recente Engelstalige publicaties van Nederlandse sociaal- en fysisch-geografen. Gesorteerd naar auteursnaam, niet naar onderwerp. Dat perkt de gebruikswaarde in: iemand die op zoek is naar wat bijvoorbeeld geografen schreven over de Randstad moet zo'n duizend titels bekijken.

327. Grunnet, Nicolas M., Morphodynamics of a shoreface nourishment in a barred nearshore zone Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 155 p., € 22,50.
De van origine Deense onderzoeker Nicholas Grunnet was tussen 2000 en 2004 verbonden aan het departement fysische geografie in Utrecht. Hij onderzocht het gedrag van een twaalf kilometer lange zandbank ten noorden van Terschelling. Het blijkt dat de bank zich zeewaarts beweegt, van 35 meter per jaar aan de westzijde tot 70 meter aan de oostkant. Uiteindelijk verdwijnt de bank in zee. Met het verdwijnen van deze bank begint de volgende bank zeewaarts te migreren en ontstaat een nieuwe bank nabij het strand. De in 1993 uitgevoerde zandsuppletie in de trog tussen de buitenste en de middelste bank had ingrijpende gevolgen voor de stabiliteit van dit banksysteem: gedurende 6-7 jaar vond er geen zeewaartse migratie plaats en bleven bankparameters op het niveau van direct voor de suppletie. Maar uiteindelijk herstelde het dynamische evenwicht zich weer. Afgezien van de inleiding en conclusies verschenen de empirische hoofdstukken eerder als artikelen in wetenschappelijke tijdschriften.

328. Connie A. Blok, Dynamic visualization variables in animation to support monitoring of spatial phenomena. Utrecht/Enschede: KNAG, FGW, ITC. 188 p., € 23.
Onze aarde is continu aan verandering onderhevig. Satellietbeelden kunnen helpen bij het opsporen en monitoren van veel van deze ruimtelijke dynamiek. Tot nu toe gebruiken experts vooral beeldverwerkingsprogramma's en GIS-en om de satellietgegevens statisch en analytisch te benaderen. Het menselijk vermogen om snel patronen en veranderingen te zien is echter sterk; visuele technieken kunnen een waardevolle aanvulling vormen op de meer gebruikelijke analysetechnieken.
Kartografe Connie Blok onderzocht in haar dissertatie het gebruik van interactieve animaties, als visuele methode om snel patronen, relaties en trends te ontdekken. Vooral het gebruik van de zogenaamde dynamische visualisatievariabelen, ofwel de variabelen die zichtbaar worden gedurende de looptijd van een animatie (weergavemoment, duur, frequentie en volgorde) werden onderzocht. Blok ontwikkelde methoden en technieken die hebben geleid tot aNimVis, een prototype omgeving waarbinnen grote tijdserties in geanimeerde vormen kunnen worden bestudeerd. Het prototype is vervolgens geëvalueerd met behulp van experts in monitoren van ruimtelijke gegevens.

329. Brouwer, A.E., Old firms in the Netherlands. The long-term spatial impact of firm's identities and embeddedness. FRW RUG/KNAG, Groningen/Utrecht. 268 p., € 27.
Er zijn in Nederland, zo heeft de Groningse geograaf Aleid Brouwer in haar proefschrift gereconstrueerd, 362 bedrijven - met op dit moment samen zo'n 28 duizend volledige banen - die al voor 1851 zijn opgericht en nog steeds onder de oorspronkelijke naam en in de oorspronkelijke branche werkzaam zijn. Het merendeel van die bedijven is in familiehanden en vergroeid met zijn geografische omgeving - de vakterm voor deze verankering is /emdeddedness/. Van de oudjes geeft 45% op nog nooit verhuisd te zijn. Hun lokatie is evenals hun ouderdom deel geworden van hun identiteit. Een analyse van hun websites leert dat traditie, ouderdom en vestigingsplaats prominent benut worden om de kwaliteit van hun producten of diensten te benadrukken. `Het lijkt er op', zo concludeert Brouwer, `dat wanneer bedrijven langer op een bepaalde plek zitten, ze meer vastgroeien in hun locale omgeving. (...) Een bekende en onveranderde locatie draagt bij aan de mate waarin klanten het bedrijf als onveranderd en betrouwbaar zien. Samen met een hang naar traditie, thuisgevoel en herkenbaarheid naar de klanten toe wordt inert gedrag van oude bedrijven bevorderd'.

330. Job Spijker, Geochemical patterns in the soils of Zeeland. Natural variability versus anthropogenic impact. Utrecht: KNAG/FGW, UU. NGS 330. 205 p., € 22,40.
Spijker geeft in zijn proefschrift een overzicht van de algemene (geo)chemische bodemkwaliteit in de provincie Zeeland, binnen het kader van diffuse antropogene vervuiling en duurzaam bodembeheer in Nederland. Het voornaamste doel daarbij is om de natuurlijke variabiliteit in de geochemische bodemsamenstelling te onderscheiden van antropogene beïnvloeding. De totale varabiliteit is geëvalueerd in zowel de geografische ruimte, waar de ruimtelijke interactie tussen de bodemcomponenten plaatsvindt, alsook in de eigenschappen- of attribuutruimte, waarin die interactie eveneens tot uitdrukking komt. Patronen in beide ruimten kunnen dan gerelateerd worden aan processen die van invloed zijn op de bodemsamenstelling. Gebaseerd op deze patronen en daaraan gerelateerde processen kan de antropgene invloed worden onderscheiden van de natuurlijke variabiliteit. Dit voorziet in informatie en gereedschappen ten nutte van het in het Nationaal Milieubeleidsplan 3 van de Nederlandse regering beoogde landelijke beeld van de algemene bodemkwaliteit.

331. Ilaria Mariotti, 2005. Firm relocation and regional policy. A focus on Italy, the Netherlands and the United Kingdom. Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, RU Groningen/KNAG, Utrecht. 278 p., € 28.
De Italiaanse onderzoekster Ilaria Mariotti kwam via Genua en Reading in Groningen terecht, om op 30 juni 2005 bij prof. Pellenbarg te promoveren op deze studie (ze woont tegenwoordig in Milaan). In haar proefschrift analyseert ze de rol en de effectiviteit van regionaal beleid in het beïnvloeden van met name interregionale en internationale verplaatsingsbeslissingen van bedrijven. Hoe groot is de invloed van subsidies in vergelijking met de invloed van andere factoren? Gelet op haar komaf is het begrijpelijk dat ze in haar onderzoek de nadruk legt op Italië (steekproef van 254 bedrijven). In Nederland werkten 24 bedrijven mee aan haar onderzoek, en voor Groot-Brittannië beschikte Mariotti over secundaire data van 165 bedrijven. Voorts deed ze literatuuronderzoek over verplaatsingen van centrum naar periferie in de jaren 1945-1980. Vooral bij de verplaatsing naar en lokatie in de Mezzogiorno spelen overheidsprikkels een belangrijke rol. Toch constateert ze voorzichtig dat de `effectiviteit van beleidsmaatregelen op zijn minst in twijfel kan worden getrokken'. Vooral traditionele maatregelen als subsidie van grond- en transportkosten `falen deels in het bereiken van hun doel'.

332. Francien van Soest, Factors determining location and species composition of wet grasslands in Southwest England. Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen/KNAG, RU Groningen/Utrecht. 240 p. plus cd, € 30.
De aan de Groningse universiteit verbonden Francien van Soest was tussen 1998 en 2002 werkzaam aan het Department of Geographical Sciences van de University of Plymouth. Ze verzamelde in die jaren gegevens over biodiversiteit, hydrologie en topografie van de Culm Natural Area in Zuid-West Engeland. Dat is het restant van een drassig gras­land, dat rond 1900 nog meer dan 50.000 hectare groot was, maar nu nog maar in totaal zo'n 4000 ha beslaat. De rest is als gevolg van van drainage en andere ingrepen ten behoeve van de landbouw omgezet in weiland met een betrekkelijk bescheiden diversiteit. Van Soest bestudeert de plantenecologie van het gebied en integreert haar bevindingen in een decision support system ten behoeve van herstelmaatregelen.

333. R. Sluiter, Mediterranean land cover change. Modelling and monitoring natural vegetation using GIS and remote sensing. Faculteit Geowetenschappen/KNAG, Utrecht. 145 p., € 17.
In Mediterraan Frankrijk worden veel akkers opgegeven, met alle onaangename gevolgen vandien voor de biodiversiteit, bodemerosie en de frequentie van bosbranden.
Om de processen die optreden na het verlaten van een akker te analyseren, te begrijpen en te voorspellen maakt de Utrechtse fysisch-geograaf Raymond Sluiter gebruik van landbedekkingsverandering modellen. Deze computermodellen houden rekening met de belangrijkste sturende factoren van de processen die optreden na het verlaten van een akker en proberen de ruimtelijke en temporele patronen van de processen te voorspellen. Bovendien zijn deze computermodellen zeer geschikt om hypothesen over toekomstige landbedekkingsveranderingen te testen.
Als studiegebied selecteerde Sluiter een Mediterraan ecosysteem in het stroomgebied van de Peyne, ongeveer zestig kilometer ten westen van Montpellier. In het studiegebied komen laag eikenbos, natuurlijk struikgewas en landbouwgebieden voor. In het hele gebied treedt verstoring door de mens op, ondanks een dalend inwonertal. Voor de analyse beschikte Sluiter over een grote dataset, inclusief hyper-spectrale vliegtuigbeelden en luchtfoto's vanaf 1946.

334. M.J. Hagoort, The Neighbourhood Rules. Land-use interactions, urban dynamics and cellular automata modelling. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen/KNAG. 296 p., € 25.
Stel je legt over een stedelijke regio een raster. Je kent het grondgebruik van elke cel: wonen, industrie, voorzieningen, landbouw, kassen. Kan je dan voorspellingen doen over hoe dat grondgebruik zich zal ontwikkelen? Bijvoorbeeld in een cel die nu nog voor landbouw wordt gebruikt? Vergroot de aanwezigheid van woongebieden de kans dat in de nabijheid ervan ook woongebieden komen en verkleint ze de kans op industriegebieden in de nabijheid? Met andere woorden: welke functies trekken elkaar aan, welke stoten elkaar af? Dicteert grondgebruik in naburige cellen A, B en C het grondgebruik in cel D (zie de hoofdtitel van het proefschrift)? Vallen die ruimtegebruiksveranderingen te simuleren in een model?
Ja, zo blijkt uit het proefschrift van stadsgeograaf en GIS-specialist Michel Hagoort. Hij ontwikkelde de modelleringstechniek Cellulaire Automata, die tot nu toe in de kidnerschoenen stond en past die toe voor vier stadsgewesten (Amsterdam, Utrecht, Den Bosch en Groningen) voor twee tijdsperioden (1986-1993 en 1993-2000). Voor 1986, 1993 en 2000 had Hagoort CBS-datasets van grondgebruik ter beschikking. Interessant voor geografen die zich interesseren voor GIS-modelontwikkeling en/of voor de tijd-ruimte dynamiek van stedelijke morfologische structuren.

335. Marc Vissers, Patterns of groundwater quality in sandy aquifers under environmental pressure. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen/KNAG. 142 p., € 18.
Marc Vissers, die in de jaren negentig geochemie studeerde in Utrecht, wil in dit proefschrift beter inzicht krijgen in ruimtelijke patronen van grondwaterkwaliteit in zandige aquifers in gebieden waar de milieukwaliteit te lijden heeft door intensief ruimtegebruik. Vissers' aandacht gaat vooral uit naar zogeheten freatische aquifers. Dat zijn watervoerende lagen die direct gevoed worden vanaf het aardoppervlak. Zijn onderzoeksgebied is het stedelijk gebied rond Hengelo-Enschede en het platteland ten westen van de Sallandse Heuvelrug.
Grondwaterkwaliteit wordt gedefinieerd als de chemische samenstelling van grondwater. De drie factoren stroming, kwaliteit van het voedende water (input) en geochemische processen vormen het kader van het onderzoek. Vissers concludeert dat de nieuwe manier van karteren van grondwaterstroming en de verbeterde 3D-definitie van grondwaterstromingssystemen direct inzicht geven in de grondwaterkwaliteitspatronen. Dat is relevant voor de ruimtelijke ordening en systeemgericht water(kwaliteits)beheer.

336. Anet Weterings (2006), Do firms benefit from spatial proximity? Testing the relation between spatial proximity and the performance of small software firms in the Netherlands. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen/KNAG. 186 p., € 22.
In een door ICT gedomineerde wereld, waarin geografische afstanden niet relevant lijken, is de huidige generatie ecnomisch-geografen meer dan ooit geboeid door de rol van afstanden. Niet meer in de zin van distance-decay en transportkosten, maar in de hoop aan te tonen dat bedrijven voordelen ondervinden van een vestiging nabij andere organisaties. Theoretisch is veel gezegd over het belang van nabijheid, maar empirisch aangetoond is er veel minder. Anet Weterings (promotie op 19 januari 2006 te Utrecht; sinds medio 2005 werkzaam bij het Ruimtelijk Planbureau) deed wel empirisch onderzoek. Zij verzamelde via een telefonische enquête bij 265 kleinere softwarebedrijven die hun eigen software ontwikkelen, gegevens. Als nabijheid definieerde ze een afstand van maximaal 50 km van het bedrijf tot andere orgnaisaties (waaronder concurrenten). Een van haar conclusies is dat het belang van interacties tussen organisaties en voor kennisuitwisseling en innovatie niet overschat moet worden. Weterings: `Ruimtelijke nabijheid kan ook bijdragen aan het innovatief vermogen van bedrijven zonder dat interacties plaatsvinden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat vergelijkbare bedrijven (in feite concurrenten) die in elkaars buurt gevestigd zijn elkaars gedrag en strategieën eenvoudiger kunnen observeren en in de gaten houden'.

337. Ivo Thonon, Depostion of sediment and associated heavy metals on foodplains. Fac. Geowetenschappen/KNAG, Utrecht. 174 p., € 23.
Voor zijn onderzoek in de Nederlandse uiterwaarden van de Benedenrijn (langs Waal en IJssel) stelde Ivo Thonon zich drie vragen:

  • Wat zijn de huidige afzettingspatronen en kenmerken van slib en slibgebonden zware metalen in uiterwaarden van laaglandrivieren?
  • Wat is het relatieve belang van de belangrijkste factoren die de patronen en kenmerken van slibafzetting bepalen en hoe is de interactie daartussen?
  • Wat zijn de interacties tussen veranderingen in klimaat, bovenstrooms landgebruik, de emissies van zware metalen en de inrichting van uiterwaarden en hoe veranderen deze factoren de afzetting van slib en de daaraan verbonden zware metalen?

Op basis van zijn onderzoek constateert Thonon dat er drie sleutelfactoren zijn die een rol spelen in slibafzetting op uiterwaarden, waarbij de lokaal bepaalde factoren belangrijker zijn voor afzettingspatronen dan de bovenstrooms bepaalde:

  • de topografie van de uiterwaarden: de aan- of afwezigheid van zomerkades, hoogteverschillen binnen de uiterwaard en de breedte van het winterbed. Deze meest bepalende factor beïnvloedt ook de twee andere factoren:
  • stromingscondities: overstromingsfrequentie, stroomsnelheden en de overstromingsduur;
  • kenmerken van het meegevoerde slib: concentratie, samenstelling, vlokgrootte en primaire korrelgrootte, valsnelheid en zware metalengehalte.

Delen van het proefschrift zijn eerder verschenen (of zullen nog verschijnen) als artikel in wetenschappelijke tijdschriften.

338. Danner, H.S., J. Renes, B. Toussaint, G.P. van de Ven en F.D. Zeiler, red.. Polder Pio­neers. The influence of Dutch enigi­neers on water management in Europe, 1600-2000. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen, Utrecht. 177 p., € 14,50.
Eeuwenlang hebben de ons omringende landen Nederlanders inge­huurd om aan de kust of langs de benedenstroom van rivieren waterstaatkun­dige vraagstukken op te lossen. Op 30 en 31 oktober 2003 kwam een groep experts uit Europa bijeen in Rotterdam voor een studiedag. De voordrachten zijn in deze bundel opgenomen. Na een informatieve inleiding van Hans Renes, volgen bijdragen over:

  • the Dutch contribution to the development of the hydraulic system and cultural landscape in Poland, 1547-1945 (Z. Chodyla);
  • Niederländer in Norddeutschland, vor allem Brandenburg (M. Kaup);
  • Dutch influence on Danish water management, with particular respect to Lammefjorden (M. Stenak);
  • Dutch engineers and the draining of the fens in Eastern England (T. Williamson);
  • The Dutch-Flemish role in reclamation projects in France (B. Toussaint);
  • Dutch technological transfer and land reclamation in Early Modern Italy (S. Ciriacono).

339. A.F. Koekoek e.a., eds. Cities and globalisation. Exploring new connections. Utrecht: KNAG/VUGS. 94 p., € 10.
In mei 2005 organiseerden Utrechtse studenten sociale geografie, namens studentenvereniging VUGS, een conferentie: Be Connected - Global Cities and the Space of Flows. De lezingen van die dag zijn gebundeld in deze NGS. Bijdragen van een handvol hoogleraren: Ronald van Kempen, Jack Burgers, Gregory Ashworth, Oedzge Atzema en Luuk Boelens, van de Britse economisch geograaf Jonathan Beaverstock, van de studenten Arjen Koekoek en Thijs Velema die een verslag schreven van de lezing die burgemeester Annemarie Jorritsma hield over haar stad Almere, en van Guus van Westen over Afrika. Wereldsteden in Afrika? Van Westen leidt zijn betoog in met een weerkaart van CNN voor Europa en Afrika. Het weer in elf steden in Europa wordt weergegeven (van Oslo en Stockholm tot Rome en Lissabon) en van twee Afrikaanse steden: Cairo en Johannesburg. Tussen beide gaapt de leegte. Is Afrika disconnected?

340. Guido Vonk, Improving Planning Support. The use of Planning Support Systems for spatial planning. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen, KNAG. 126 p., € 16.
Sinds midden jaren negentig, schrijft Guido Vonk in zijn proefschrift, is een nieuwe generatie geo-informatie technologie beschikbaar, die is toegesneden op het ondersteunen van ruimtelijke planners: Planning Support Systems (PSS). Terwijl GIS meer algemeen van opzet is en daardoor kan worden ingezet voor tal van ruimtelijke onderzoeksproblemen, onderscheiden PSS zich door hun specifieke focus op de ondersteuning van ruimtelijke planningstaken. Toch leert de praktijk dat ze maar betrekkelijk weinig worden toegepast. Hoe komt dat en wat valt er aan te doen?
Vonk sprak met experts en concludeert dat een tekort aan ervaring met PSS meespeelt, een onbekendheid met het bestaan ervan, de ingewikkeldheid van PSS (`de praktijk wil vooral eenvoudige systemen, veel ontwikkelaars zetten in op geavanceerde systemen') en tegenstanders van PSS binnen de organisatie zelf (managers die ondervonden hebben dat investeringen in ICT vaak veel duurder uitpakken dan voorzien en minder voordelen opleveren dan beloofd).

341. Geertsema, M. Hydrogeomorphic hazards in northern British Columbia. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 184 p., € 24.
Als zevenjarig jongetje emigreerde Marten Geertsema in 1971 van Groningen naar Canada. Hij studeerde er aardwetenschappen, werkte in het Canadese staatsbosbeheer, maar promoveerde in zijn geboorteland op een bundel studies van de hydro-geomorfologische natuurgevaren in het afgelegen noorden van British Columbia. Hij richtte zich op aardverschuivingen en op gletsjermeren die doorbraken en zo overstromingen veroorzaakten.
Tussen 1973 en 2003 nam het aantal grote, snelle aardverschuivingen in het gebied toe van 1,3 naar 2,3 per jaar. Geertsema denkt aan een mogelijke relatie met klimaatverandering. Twee aardverschuivingen (een in quick clays in glacio-marine sedimenten en een rotsverschuiving die een puinlawine van 2 km lang opleverde) werden gedetailleerd bestudeerd. Ook geeft Geertsema een indruk van het effect van aardverschuivingen op de biofysische diversiteit.
Een gletsjermeer ontstaat als de gletsjer gedeeltelijk smelt. Zo'n meer kan door zijn natuurlijke afdamming heen breken (in Britsh Columbia spreekt men van jökulhlaups) en een overstroming veroorzaken. Geertsema vreest dat in een warmer klimaat dergelijke doorbraken meer zullen voorkomen. Zijn promotor was Steven de Jong; copromotor waren Theo van As en Rens van Beek. De slotzin van zijn CV luidt: Marten used to raise and race sled dogs. Now he raises highland cattle instead.

342. Karien Dekker, Governance as glue. Urban governance and social cohesion in post-WW II neighbourhoods in the Netherlands. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 157 p., € 18.
De Nederlandse vertaling van de titel van Karien Dekkers proefschrift is: Samenwerkend beleid als bindende factor. Stedelijk samenwerkend beleid en sociale cohesie in na-oorlogse wijken in Nederland. Zij wil met haar onderzoek nagaan hoe de relatie is tussen enerzijds beleid waarin lokale overheden, private partijen zoals corporaties en bewoners samenwerken (governance) en anderzijds de sociale cohesie in naoorlogse woonwijken - woonwijken die in afgelopen jaren steeds problematischer werden. Ze verzamelde daarvoor gegevens in Nieuw-Hoograven, Utrecht en Bouwlust, Den Haag. In haar onderzoeksopzet combineert ze kwantitatieve en kwalitatieve werkwijzen, plus een analyse van het Grotestedenbeleid. Uit interviews met beleidsmakers in Bouwlust blijkt bijvoorbeeld dat bewoners vooral betrokken zijn in kleinschalige korte termijn processen, georganiseerd door beleidsmakers, en minder in grootschalige, lange termijnprocessen. De bewoners die deelnemen zijn geen representatieve doorsnede van de wijkbevolking: het is bij wijze van spreken de autochtone, gepensioneerde chef van de Edah die participeert. Tussen participatie en sociale cohesie bestaat een wederzijds positief verband.

343. John van den Hof, PPS in de polder. De betekenis van publiekprivate samenwerking voor de borging van duurzame ruimtelijke kwaliteit op Vinex-lokaties. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut. 251 p., € 25.
In de paragraaf `Waarom deze studie?' legt DHV-onderzoeker John van den Hof uit wat hem dreef: `Voor veel mensen zijn de gebruikswaarde en belevingswaarde van hun woonomgeving belangrijke referentiekaders voor hun oordeel over de ruimtelijke kwaliteit van de wijk waar zij wonen. Dat oordeel bepaalt het verschil tussen willen investeren of laten verwaarlozen, settelen of verhuizen, aanprijzen of klagen, een positief of een negatief oordeel over de ruimtelijke kwaliteit'.
Maar hoe realiseer je een `nu en in de toekomst maatschappelijk gewenste ruimtelijk kwaliteit'? Van den Hof: `Kun je dat als overheid alleen, of vraagt het om samenwerking met ondernemers en burgers. (...) Met deze studie wil ik inzicht krijgen in de mate waarin in de Vinex-praktijk duurzame ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd en hoe de overheid marktpartijen en burgers daarbij betrekt'.
Van den Hof onderzocht drie grote Vinex-lokaties: het `bouwclaimmodel Leidsche Rijn', de `joint venture Vathorst' en het `concessiemodel Ypenburg'. Waarborging van ruimtelijke kwaliteit via publiekprivate samenwerking blijkt een hele klus. Uit de conclusie: `De betekenis van een PPS-constructie is beperkt, zowel voor het ambitieniveau van de masterplannen als de kwaliteit van het borgingsproces. De oorzaken van gebrekkige borging van gebrekkige borging van duurzame kwaliteit op Vinex-lokaties moeten vooral gezocht worden in een beperkte visie van de overheid op kwaliteit, te weinig interactieve planvorming, te weinig concurrentie om de markt en gebrekkige arrangementen voor evaluatie en bijsturing. Het planningsparadigma van de overheid wordt nog steeds gedomineerd door de klassieke maakbaarheidsgedachte, waarin markt en civil society geen prominente rol spelen.'

344. Margo van den Brink & Tamara Metze, red. Words matter in policy and planning, Discourse theory and method in the social sciences. NGS 344. Utrecht: KNAG/NETHUR. 182 p., €20.
Minister Winsemius waarschuwde op 1 november in de Volkskrant voor “een van de grootste problemen waarmee Nederland van nu kampt”. Dat is niet het broeikaseffect maar de ontwikkelingen in veertig stadswijken: ‘we hebben het probleem absoluut niet onder controle. Buurten worden afvalputjes, waar de bewoners iedere hoop hebben verloren. Als we niks doen is het rampspoed”. Met zo'n tekst probeert de minister extra geld te krijgen voor vernieuwing. De tekst construeert een werkelijkheid. Een stadsbestuurder had een andere tekst kunnen maken: die wijk is geen afvoerputje maar een incubatiemilieu voor creatievelingen, bijvoorbeeld. Kortom: bestuurders en planologen proberen niet alleen met kaarten maar ook met teksten mensen te overtuigen van de kwaliteit en noodzaak van hun plannen.
In deze bundel staan twaalf bijdragen van een studiedag uit mei 2004, van de academische onderzoeksschool NETHUR. Tea Dukes, in haar artikel Who rules the area? European urban policy discourse geeft misschien wel de duidelijkste samenvatting van wat discourse analysis is. Het is een methode om “to analyse an interrelated set of texts and their practices of production. Generally speaking, discourse analysis is grounded in a constructionist epistemology that views language as constitutive and constructive instead of reflective and representative”. Ook met bijdragen over onder andere het Bijlmerpark, USAID in de Oekraine, een Parijse voorstad, Nederlandse migranten, ruraal beleid, stadsvernieuwing en waterkaarten in Delfland.

345. Meer, M.J. van der. Older adults and their socialspatial integration in The Netherlands. Utrecht/Amsterdam: KNAG, Fac. Maatschappij- en Gedragswetenschappen UvA. 160 p., € 23.
`Ouderen' zegt Marieke van de Meer in haar proefschrft, `hebben vaak het gevoel dat ze niet meetel­len'. Ze zouden buiten de samenleving staan. Wat is de beteke­nis van hun geografische omgeving hierbij? Om dit te onderzoeken, werden in Nederland bijna 2000 mensen geïnterviewd, die tussen de 50 en 89 jaar oud waren en zelfstandig woonden. Verschillende soorten woonomgevingen werden geselecteerd: Amsterdam, Zaanstad, Landsmeer (een dorp onder de rook van de stad), Den Bosch, Sint-Michielsgestel en Haaren (beide dorpen buiten de Randstad), Hoogeveen (stad in de periferie) en De Wolden (dorp in de periferie). Een van de conlusies is dat de directe woonomgeving vooral van belang is voor ouderen die weinig meer kunnen. Ouderen die zelf niet kwetsbaar zijn (lichamelijk nog vitaal zijn en geld hebben) redden zich in elke omgeving, maar ouderen die weinig competenties meer hebben kunnen alleen nog redelijk functioneren in een omgeving met veel voorzieningen en ondersteuning. Dit alles conform een inzicht uit de sociale psychologie: `het minder competent een individu is, des te groter is de invloed van omgevingsfactoren op dit individu'. Het sneue is dat juist kwetsbare ouderen in gedepriveerde buurten blijken te wonen. Geen gelukkige bevinding voor de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning die wil dat ouderen zolang mogelijk blijven wonen in een ondersteunende woonomgeving.

346. Beckhoven, E. van. Decline and regeneration. Policy res$ponses to processes of change in post-WWII urban neighbourhoods. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 174 p., € 18.
Ellen van Beckhoven bundelt in haar Utrechtse proefschrift artikelen die eerder verschenen in wetenschappelijke tijdschriften. Ze analyseert de beleidsstrategieën (zoals de strategie van een integrale aanpak, publiek-private samenwerking, bewonersparticipatie, sociale menging) die in Nederland en enkele andere Europese landen bestaan om sociaal en fysiek verval in naoorlogse woongebieden om te keren. De meer of minder uitgebreid onderzochte steden zijn Amsterdam, Barcelona, Birmingham, Budapest, Stockholm en Utrecht. Een van haar conclusies is dat strategieën soms eerder tegenover elkaar staan, dan elkaar versterken. Zo hebben sloop en nieuwbouw in naoorlogse woonwijken in Amsterdam en Utrecht tot doel nieuwe, meer welgestelde inwoners aan te trekken. Sociale ingrepen in dezelfde wijken, zoals het versterken van de sociale cohesie en het bevorderen van bewonersparticipatie, hebben juist het oogmerk de situatie voor de zittende bewoners te verbeteren. En sociale menging in een buurt leidt niet tot meer sociale cohesie. Van Beckhoven constateert dat mensen die niets gemeen hebben minder gemakkelijk met elkaar omgaan dan huishoudens die een overeenkomstige sociaal-economische achtergrond hebben.

347. Grisja van der Veer, Geochemical soil survey of the Netherlands. Atlas of major and trace elements in topsoil and parent material; assessment of natural and antrhropogenic enrichment factors. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 245 p. met cd-rom, € 30 (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Tot nu toe, constateert Grishja van der Veer, heeft een geochemische kartering van de Nederlandse bodem slechts in een beperkt aantal gebieden plaatsgevonden (geochemische kartering is een methode om de regionale verspreiding van elementen en chemische verbindingen in verschillende aardse compartimenten op een systematische manier te inventariseren en weer te geven). Haar proefschrift is het eerste representatieve en consistente beeld van de anorganische samenstelling van de bodems in het landelijke gebied van Nederland. Deel 1 bespreekt de totstandkoming van het overzicht in de geochemische atlas (methodes) en de algemene patronen die hieruit naar voren komen. Deel 2 gaat in op meer specifieke vraagstukken omtrent de samenstelling van de bodem en de menselijke en natuurlijke factoren die hierop van invloed zijn geweest: natuurlijke variatie en aanrijking in het moedermateriaal op zandgronden en op zeekleigronden, antropogene aanrijking in de bovengrond. De bijgevoegde cd-rom vat de gegevens van meer dan veertig elementen samen in kaarten, grafieken en tabellen.

348. Gregory Ashworth, Peter Groote & Tialda Haartsen, eds., Public Places, Public Pasts. Utrecht/Groningen: KNAG/Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen RUG. 93 p., € 25.
In juni 2004 organiseerde cultuur-geografen aan de Rijksuniversiteit Groningen een heritage seminar over public places and public pasts. In dit boekje zijn de bijdragen gebundeld. Gregory Ashworth schrijft over Plural pasts for plural publics in plural places, Louise Meijering e.a. over communes in plattelandsgebieden, Bettina van Hoven over de voormalige Stasi-gevangenis Berlin-Hohenschönhausen, Sarah McDowell over de overwegend katholieke wijk Bogside in de Noordierse stad Derry/Londonderry, Kenneth Miller over erfgoed als een agent of change in Zuid-Afrika en Tialda Haartsen en Peter Groote over eigendom en toegankelijkheid van natuurgebieden van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Provinciale Landschappen en particulieren. Min of meer als gemeenschappelijke vlag is de stelling dat openbaar erfgoed omstreden is. De redacteuren noemen in hun inleiding als voorbeeld Stonehenge: een world heritage site, een English heritage site, een plaats voor toeristische bezoekers en handelaars in prullaria, een plaats waar hedendaagse druïden of pantheïsten hun rituelen mogen uitoefenen?

349. Louise Meijering, Making a place of their own. Rural intenti­onal communities in Northwest Europe. Utrecht/Groningen: KNAG/Faculteit Ruim­telijke Weten­schappen RUG. 171 p., € 25. (Uitverkocht!)
Leefgemeenschappen bestaan al eeuwen: van christelijke minderheden in de Romeinse Tijd via anarchistische gemeenschappen en kunstkolonies rond 1900 en hippiegroepen in de jaren 1960-1970 tot groene gemeenschappen tegenwoordig. De Groningse sociaal-geograaf Louise Meijering onderzocht ten behoeve van haar dissertatie (promotie: 14 december 2006) negen hedendaagse gemeenschappen, gevestigd op het platteland van Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken en Nederland (de Hobbitstee in Drenthe en Carmel DCJ in Sittard).
Gemeenschappen blijken, zo wijst een principale component- en clusteranalyse van 496 gemeenschappen (zij vulden de enquête in, die 1023 gemeenschappen van Meijering hadden ontvangen) uit, in te delen in vier categorieën: religieus, ecologisch, communaal of praktisch. De laatste categorie staat niet alleen qua idealen het dichtst bij de hoofdstroomsamenleving, maar ook in geografisch opzicht. Woningen van praktische gemeenschappen liggen minder afgezonderd dan die van de idealistisch meer bevlogen gemeenschappen.

350. Zsuzsa Földi, Neighbourhood Dynamics in Inner-Budapest. A realist approach. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 345 p., € 35 (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Jarenlang deed de Hongaarse geografe Zsuzsa Földi (1973) onderzoek naar de veranderingen in Budapest na de val van het communisme in 1989, toen de overheid minder en de markt veel meer te zeggen kreeg. Zij hield in Groningen over haar onderzoek een verhaal, dat zoveel indruk maakte dat ze daarmee een beurs verwierf om in Utrecht haar onderzoek voort te zetten. Zij werd een Utrechts PhD-student, maar bleef in de Hongaarse hoofdstad wonen en werken aan haar onderzoek. Dat onderzoek is nu afgerond met een dissertatie. Zij vergelijkt daarin de uiteenlopende ontwikkelingen die vier buurten in de binnenstad van Boedapest hebben meegemaakt. De vier buurten verdeelde zij in twee groepen, op basis van de keuze van de vernieuwingsstrategie door districtsbestuurders: initiatiefnemers (die al vroeg een helder beleid formuleerden) en trendvolgers (die dat niet deden en weinig middelen hebben om in te grijpen). De trendvolgersbuurten verschillen van de initiatiefnemersbuurten in situation. De eerste buurten liggen dicht tegen het stadscentrum en laten het initiatief aan een gretige markt, de initiatiefnemersbuurten liggen verderweg en zijn mede door hun stevige herontwikkelingsstrategie minder interessant voor speculatieve investeerders. Theoretisch interessant is dat Földi gebruik maakt van een zogeheten kritisch-realistische benadering die in de sociale geografie vooral populair is gemaakt door Andrew Sayer. Veel foto's verlevendigen haar analyses.

351. Suzanne Agterbosch, Empowering wind power. On social and instituti­onal conditions affecting the performance of entre­preneurs in the wind power supply market in the Nether­lands. NGS 351. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut, Utrecht. 246 p., € 27,50. (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Suzanne Agterbosch koos in haar proefschrift voor een institutio­nele benadering om de opkomst en prestaties van verschillende typen 'ondernemers in wind' in de jaren 1989-2004 te analyseren. De focus van deze benadering betreft de wisselwerking tussen enerzijds kwaliteiten, gedrag, voorkeuren en belangen van individuele actoren (energiedistributiebedrijven, boeren, projectontwikke­laars en windcoöperaties), en anderzijds de mogelijkheden en beperkingen zoals die verankerd liggen in de geïnstitutionaliseerde omgeving waarbinnen deze actoren werkzaam zijn. Speciale aandacht gaat uit naar de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Het marktaandeel van elektriciteit geproduceerd door windturbines is afhankelijk van de initiatieven die `windondernemers' ontplooien. Om die initiatieven te stimuleren, is overheidssturing noodzakelijk.

352. Chhewang Rinzin, On the Middle Path. The social basis for sustaina­ble development in Bhutan. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut, 204 p., € 22,50. (zie ook: www.uu.nl/igitur).
De ontwikkelingsfilosofie van het boeddhistische Bhutan is gebaseerd op het idee van geluk. Het gaat niet om verhoging van de materiële rijkdom (het Bruto Nationaal Produkt), maar om de verhoging van het Gross National Happiness (GNH). Chhewang Rinzin: `Bhutans zoektocht naar GNH plaatst mensen in het centrum van alle ontwikkelingen. Uitgangspunt is hun materiële, spirituele en emotionele behoeften. Bhutan is geïnspireerd door het boeddhisme in zijn te volgen ontwikkelingspad: the Middle Path. Dit concept is ontleend aan de boeddhistische denkwijze dat geluk gebaseerd is op evenwichtige gedragingen en niet op extreem gedrag. Deze denkwijze leidde het land langs een ontwikkelingspad waarin wordt gestreefd naar een eerlijke verdeling van economische ontwikkeling, behoud van natuur en cultuur, en promotie van betrouwbaar bestuur; niet speciaal in die volgorde. Deze vier hoekstenen van GNH komen overeen met de doelstellingen van het internationale concept duurzame ontwikkeling.
Rinzin zoekt in zijn dissertatie, aan de hand van onder meer interviews met 775 mensen (burgers, boeren, zakenlieden, ambtenaren, religieuzen) uit of deze ontwikkelingsstrategie in de praktijk werkt, hoe dit door de bevolking wordt ervaren, en wat de gevolgen hiervan zijn voor de toekomst.

353. Wijk, M. van. Airports as Cityports in the City-region. Spatial-economic and institutional positions and institutional learning in Randstad Schiphol (AMS), Frankfurt Rhein-Main (FRA), Tokyo Haneda (HND) and Narita (NRT). Utrecht: KNAG, Faculteit Geowetenschappen, Universiteit Utrecht. 323 p., € 35.
De van origine Amsterdamse planoloog Michel van Wijk promoveerde in Utrecht op een vergelijkend onderzoek - op het snijvlak van economische geografie, planologie en bestuurskunde - naar de economische en institutionele posities van luchthavens als schakel in de stedelijke regio. Hij vergeleek vier luchthavens:

  • Schiphol (getypeerd als een monocentrische airport city: de activiteiten clusteren zich op of rondom het centrum van Schiphol),
  • Frankfurt (een polycentrische airport city: vestiging van kantoren en dergelijke in verscheidene regionale centra die per auto en openbaar op korte reisafstand van de luchthaven liggen),
  • Haneda nabij Tokio (een geïsoleerd luchthaveneiland) en
  • Narita, wat verder weg van Tokio (de weerstand tegen de komst van Narita, het weigeren boerengrond te verkopen aan de luchthaven en een gebrek aan planning hebben geleid tot een verstrooiing van de luchthavengerelateerde bedrijvigheid in de regio: de versnipperde aerotropolis).

Overal ijveren groeicoalities voor uitbreiding, maar hun strategieën verschillen en ontmoeten ze meer of minder tegenstand van omgevingscoalities. Schiphol is, zo concludeert Van Wijk, een semi-betwiste stille groeicoalitie, Frankfurt een betwiste open groeicoalitie, en die in Japan conflictvermijdende groeicoalitie.

354. Amanda C. Helderman, Continuities in homeownership and residential relocations. NGS 354. KNAG/Fac. Maatschappij- en Gedragswetenschappen, UvA. 125 p., € 19.
Wie eenmaal een woning heeft gekocht, verhuist niet snel meer. Een gevolg kan zijn dat bij een nieuwe baan elders toch niet gemakkelijk wordt verhuisd. Liever gaat de eigenaar-bewoner dan (verder) forensen, met alle gevolgen vandien voor de verkeersdrukte. Huishoudens die veel (denken te) verhuizen, hebben een voorkeur voor een huurwoning, die ze goedkoop en gemakkelijk kunnen verlaten. Aan verhuizing van koop- naar huurwoning ligt vaak een (echt)scheiding ten grondslag.
Dat zijn zo maar enkele bevindingen uit het proefschrift van Amanda Helderman, waarop ze op 24 januari 2007 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Nog een conclusie: een kind dat opgroeit in een gezin met een eigen woning heeft later meer kans op ook een koopwoning, dan een vergelijkbaar kind uit een gezin met een huurwoning. Helderman spreekt van `intergenerationele overdracht van eigenwoningbezit'; als oorzaken onderscheidt ze directe mechanismen (ouderlijke giften, zodat een minder hoge hypotheek hoeft te worden afgesloten) en indirecte mechanismen (overdracht van kenmerken zoals sociaal-economische status en opleidingsniveau van ouder op kind).
Helderman bundelde in haar dissertatie vijf in internationale wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerde artikelen (deels samen geschreven met haar promotor Clara Mulder). Haar databasis bestond uit WoningBehoefte-Onderzoeken van CBS en VROM en uit gegevens van het Netherlands Kinship Panel Study (ouderlijke giften). Aan de artikelen gaat een inleiding vooraf; ze besluit met een concluderend hoofdstuk, waarvan ze ook een Nederlandse bewerking opneemt.

355. Borren, W. Carbon exchange in Western Siberian watershed mires and implication for the greenhouse effect. A spatial temporal modeling approach. Utrecht: KNAG, Faculteit Geowetenschappen, Universiteit Utrecht. 125 p., € 13.
Fysisch-geograaf Wiebe Borren onderzocht in de uitgestrekte hoogveengebieden van West-Siberië de uitwisseling van koolstof tussen landecosystemen en de atmosfeer. Hoofddoel van het proeschrift is het vaststellen van koolstofuitwisseling tussen natuurlijke hoogveengebieden en de atmosfeer op basis van een ruimtelijk-dynamische modelbenadering. Door de groei van veen wordt kooldioxyde uit de lucht vastgelegd, maar door afbraak van veen komt methaan vrij, dat een uitzonderlijk krachtig broeikasgas is. Borren concludeert dat afhankelijk van de termijn waarop men kijkt, hoogveengebieden het broeikaseffect versterken dan wel verzwakken:
`De resultaten laten zien dat de West-Siberische hoogveengebieden gedurende het Holoceen en op dit moment een netto opslagplaats broeikasgassen zijn en dus een negatieve bijdrage aan het broeikaseffect leveren, met andere woorden: het broeikaseffect tegenwerken. Door opwarming van het klimaat in de 21ste eeuw zal de verschuiving van bioklimaatzones ertoe leiden dat de hoogveengebieden het broeikaseffect gaan versterken. Na verloop van tijd zal dit echter weer omkeren naar een tegenwerking van het broeikaseffect, omdat de toegenomen opname van CO2 dan gaat domineren over de toegenomen CH4 uitstoot. Bij ontwatering zullen de hoogveengebieden altijd positief bijdragen aan het groeikaseffect.'

356. Simona Negro, Dynamics of Technological Innovation Systems. The case of biomass energy. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut UU. 166 p., € 18 (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Afgezien van milieuproblemen en geopolitieke afhankelijkheid, voldoet het huidige energiesysteem van fossiele brandstoffen: betaalbaar, betrouwbaar, betrekkelijk veilig. Overschakeling op een andere energiebron is dus moeizaam. Simona Negro spreekt van een lock-in, een begrip dat ook economisch-geografen gebruiken (om regio's aan te duiden die op een andere bestaansbasis moeten overschakelen, maar nog vast zitten aan het verleden).
Simona Negro - van origine een Italiaanse die in 2001 in Bath afstudeerde in de scheikunde en later milieukunde studeerde - werkte sinds 2004 aan haar proefschrift aan het Copernicus Instituut van de Utrechtse Faculteit Geowetenschappen. Ze wil met haar studie bijdragen aan `inzichten om de diffusie van duurzame energie te versnellen, door de relevante factoren te identificeren die de ontwikkeling, diffusie en implementatie van duurzame alternatieven in gang zetten, versnellen dan wel blokkeren'. Case-study waren de biomassa-energietechnologieën die in Duitsland en Nederland (op dat laatste land ligt het accent) sinds 1980 zijn ontwikkeld. Het gaat om biomassavergisting, -vergassing en -verbranding, en om het bijstoken van biomassa. Zonder een overheid die een lange termijn visie ontwikkelt en consequent uitvoert, zal invoering van biomassatechnologie moeizaam gaan. Negro: `Innovatie is een zoekproces dat veel tijd kost en veel risico's met zich meedraagt. Het niet rekening houden met deze eigenschappen in een recept voor falen'.

 357. Roel Nahuis, The Politics of Innovation in Public Transport. Issues, settings and displacements. Utrecht: Copernicus Instituut UU/KNAG, 182 p., 20 euro (zoals alle Utrechtse proefschriften gratis te downloaden via igitur-archive.library.uu.nl).
‘Karakteristiek voor het wederkerig vormgeven van technologie en maatschappij’, schrijft Roel Nahuis, ‘is het controversiële, de machtsstrijd, die zich onder ander manifesteert in de in- en uitsluiting van acto¬ren’. Deze stelling over wat hij ‘de politiek van innovatie’ noemt, onder¬bouwt Nahuis met drie case-studies van het openbaar vervoer. Die gaan over de invoering van zelfbediening in Amsterdamse trams (1965-1973), de ontwikkeling van infrastructuur voor Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) in Utrecht (1991-1999) en de introductie van flexibele kleine bussen in Zuidwest-Drenthe (1999-2004). Innovatief, want vaste haltes ontbreken in deze regio (reizigers kunnen volstaan met handopsteken) en een gebruikersraad stelt in principe de routes en tarieven vast. Ook theoretisch geïnteresseerden komen aan hun trekken, want Nahuis ontwikkelt een ingenieus conceptueel kader - waar de ondertitel van zijn proefschrift naar verwijst.

358. Menno Straatsma, Hydrodynamic roughness of floodplain vegetation. Airborne parameterization and field validation. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen. 177 p., € 23.
Fysisch-geograaf Menno Straatsma onderzocht de hydrodynamische ruwheid: een maat voor de wrijving die rivierwater ondervindt van de ondergrond en de vegetatie in de uiterwaarden. Hoe hoger en dichter de vegetatie, hoe hoger de ruwheid, hoe lager de stroomsnelheden over de uiterwaarden, hoe hoger het water komt tijdens een hoogwatergolf en hoe meer kans op overstromingen. Het maken van goede kaarten van de hoogte en dichtheid van de vegetatie door gegevens te verzamelen in het veld is een hele klus. Vandaar dat Straatsma een nieuwe methode benutte: hij bracht de vegetatie in kaart met behulp van laseraltimetrie. Maar laserdata geven nogal wat ruis; daarom combineerde de onderzoeker laseraltimetriegegevens combineerde met spectrale datra. Ook werkte hij met digitale fotografie en terrestrisch laser scannen. Tenslotte voerde Straatsma metingen uit met behulp van een drijver die met het water meestroomde (3D float tracking).

359. Hanneke Kruize, On environmental equity. Exploring the distribution of environmental quality among socio-economic categories in the Netherlands. KNAG/Copernicus Instituut. NGS 359. 218 p., € 25 (digitaal beschikbaar op www.uu.nl/igitur).
De verdeling van goede en slechte milieuzaken (in deze dissertatie openbaar groen respectievelijk geluidsoverlast door verkeer, stikstofoxiden, externe veiligheid) is sociaal en dus ook ruimtelijk ongelijk. Deze zo vanzelfsprekende `geloofswaarheid' is echter moeilijk hard te bewijzen met empirische data. De in Wageningen opgeleide milieukundige Hanneke Kruize probeert het in haar dissertatie, die ze aan de Utrechtse universiteit met succes verdedigde.
De vier belangrijkste hoofdstukken zijn:

  • de verspreiding van ecologische `bads' en `goods' in geheel Nederland over inkomensgroepen (en hun postcodegebieden);
  • de rol van de overheid in het streven naar een meer gelijke (rechtvaardige?) verdeling van milieukwaliteiten in de overvolle Rijnmond;
  • de wisselwerking tussen markt en overheid wat betreft environmental equity in de snel expanderende Schiphol-regio;
  • de verschillen tussen de feitelijk gemeten en de door de bevolking gepercipieerde milieukwaliteiten.

Een uitkomst: lagere inkomensgroepen wonen inderdaad in iets slechtere milieuomstandigheden dan hogere inkomens.

360. Tessa van der Valk, Technology Dynamics, Network Dynamics and Partnering. The case of Dutch dedicated life science firms. KNAG/Copernicus Instituut Universiteit Utrecht. NGS 360. 141 p., € 15.
Innovatiewetenschapper Tessa van der Valk deed onderzoek naar samenwerkingsrelaties tussen life science bedrijven, kennisinstituten en andere organisaties in Nederland. Samenwerking, zo is de veronderstelling, hangt samen met de snelle ontwikkeling van technologieën en de daaraan inherente onzekerheid of deze technologieën wel succesvol zullen zijn. Die onzekerheid bevordert dat bedrijven kiezen voor samenwerking met anderen om zo toegang te krijgen tot complementaire kennis. Dat is gemakkelijker dan steeds zelf het wiel uitvinden. Samenwerking versnelt de verspreiding van technologische kennis door de dankzij samenwerking ontstane netwerken.
Van der Valk analyseert in haar studie de gegevens die schriftelijke enquêtes onder life science bedrijven in 2002 en 2004 door het BioPartner Network opleverden. Additionele gegevens put ze uit websites en interviews met managers. Een van haar conclusies is dat de grote technologische diversiteit van nieuwe bedrijven het overheden, bestaande bedrijven en kapitaalverstrekkers moeilijk maakt om te bepalen op welke technologische velden het beste kan worden ingezet. Jammer dat er geen aandacht is voor de betekenis van geografische (ruimtelijke) factoren in samenwerkingsverbanden. Economische geografie en innovatiewetenschappen zijn nog gescheiden werelden.

361. Marieke A. Schouten (2007), Patterns in Biodiversity. Spatial organisation of biodiversity in the Netherlands. Utrecht: KNAG/Copernicius Instituut, Fac. Geowetenschappen UU. 150 p., € 20.
Tamelijk breed opgezet proefschrift over ruimtelijke spreidingspatronen van biodiversiteit in Nederland. Bioloog Marieke Schouten onderzocht vooral de ruimtelijke spreiding van vijf groepen: zweefvliegen, libellen, sprinkhanen/krekels, mossen, en reptielen/amfibieën. Samen vormen ze een tamelijk representatief beeld van de Nederlandse biodiversiteit. Er bleek een redelijk grote overlap in spreidingsgebieden te zijn: Zuid-Limburg, de duinen, en de zone die van de Veluwe naar de Utrechtse Heuvelrug en de Vecht loopt, waren hotspots, terwijl zeekleigebieden arm aan soorten waren.
Een andere bevinding: zestig procent van Nederland bezit geen soorten die niet elders in Nederland ook voorkomen. De rest van Nederland bestaat uit vijf regio's die elk unieke soorten herbergen. Dat zijn: Zuid-Limburg, de laagveengebieden in Noord-Holland en Friesland, de duinen, de pleistocene zandplateaus (Veluwe, Drenthe) en het zuidoosten van het land (Brabant en het oosten en Overijssel/Gelderland). Bescherming van deze hotspots of uniqueness is verstandig voor wie biodiversiteit wil beschermen: behalve zeldzame soorten komen in deze gebieden namelijk ook meer algemene soorten voor, die dan automatisch meebeschermd worden.

362. Mariëtte van Amstel-van Saane (2007). Twilight on self-regulation. A socio-legal evaluation of conservation and sustainable use of agrobiodiversity by industry self-regulation. KNAG/Copernicus Instituut, Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht. 166 p., € 20.
Veel bedrijven gaan er prat op dat hun voedselproducten gemaakt worden op een wijze die behoud en duurzaam gebruik van agrobiodiversiteit garanderen. Afgedwongen wordt die productiewijze niet, bedrijven hebben er zelf voor gekozen. Maar hoe betrouwbaar is die vrijwillige zelfregulering? Worden de voorschriften wel nageleefd? En hoe intensief is de controle?
Deze vragen stelt Mariëtte van Amstel-van Saane in haar proefschrift. Ze onderzocht met behulp van een nieuw ontwikkeld analysemodel drie typen reguleringen: milieukeurmerken die deel uitmaken van internationale keurmerkfamilies, product-specifieke milieukenmerken en contractteelt. Voor ieder type zelfregulering selecteerde ze vijf cases, zodat ze in totaal 15 zelfreguleringen beoordeelde. Geen van de onderzochte zelfreguleringen blijkt voor 100 procent betrouwbaar: `ze kunnen allemaal geplaatst worden in een grijze zone, het schemerlicht tussen betrouwbaar en onbetrouwbaarheid'. Vandaar de hoofdtitel van haar dissertatie: Twilight on self-regulation. 

363. Saim Muhammad, Future Urbanizations Patterns: in the Netherlands, under the influence of Information and Communication Technologies. KNAG/Geowetenschappen UU, 187 p., € 20.
Tussen 2002 en 2006 was de Pakistaanse planoloog Saim Muhammad verbonden aan de Utrechtse onderzoeksschool URU. Nadien kwam hij te werken bij het onderzoeksinstituut RIKS in Maastricht, waar hij zijn dissertatie afrondde. Het is een modelstudie geworden over de effecten van informatie- en communicatietechnologie op verstedelijking in Nederland. Leidt bijvoorbeeld gebruik van ICT in je werk tot een ruimer gebied waar telewerkers willen wonen - dus tot langere woon-werkafstanden, die zij echter minder vaak hoeven te overbruggen? (ja: Muhammad verwacht een grotere verspreiding en verstrooiing van de stad). En hoe kunnen geschiktheidskaarten voor toekomstige woongebieden worden berekend die rekening houden met de opkomst van een informatiesamenleving? Interessant voor mensen die een zwak hebben voor kwantitatieve modellen. Een flink deel van de hoofdstukken is eerder als artikel in wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd.

364. Marc Gouw, Alluvial architecture of the Holocene Rhine-Meuse delta (The Netherlands) and the Lower Mississippi Valley. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen, 190 p., 22 (met losse kleurenkaart).
Marc Gouw is een van de Utrechtse fysisch-geografen die de lijnen van rivieronderzoek, uitgezet door wijlen Henk Berendsen, doortrekt. In zijn dissertatie onderzoekt hij:

  • de variabiliteit in de geometrie van fluviatiele zandlichamen in de holocene Rijn-Maas delta en de Lower Mississippi Valley;
  • het relatieve belang van eustatische zeespiegelstijging, differentiële bodembewegingen, rivierafvoer en sedimentaanvoer gedurende het Holoceen voor de vorming van fluvio-deltaïsche sequenties, in het bijzonder de Rijn-Maas delta;
  • de alluviale architectuur van de holocene Rijn-Maas delta en de Lower Mississippi Valley, met name de ruimtelijke en temporele trends en variaties in de alluviale architectuur,
  • de gemeenschappelijke sturende factoren die de alluviale architectuur van beide studiegebieden hebben beïnvloed.

De voornaamste hoofdstukken zijn of worden ook, samen met co-auteurs, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Net als andere Utrechtse proefschriften is het proefschrift ook digitaal beschikbaar: www.uu.nl/igitur

365. Elger Heere en Martijn Storms, red., Ormeling's Cartography. Presented to Ferjan Ormeling on the occasion of his 65th birthday and his retirement as Professor of Cartography. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 212 p., 20.
Vanaf 1985 is Ferjan Ormeling hoogleraar kartografie aan de Universiteit Utrecht. Hij had in het jaar van zijn benoeming 92 publicaties op zijn naam. Eind 2007 zijn dat er 432, volgens de bibliografie die deze bundel besluit. Deze honderden publicaties beslaan zeer uiteenlopende terreinen binnen de kartografie; Ormeling is inderdaad, zoals zijn biografen Elger Heere en Martijn Storms hem typeren, een all-round cartographer. Zij verzamelden in deze bundel elf moeilijk vindbare maar nog steeds waardevolle Engelstalige publicaties van Ormeling, op het gebied van atlaskartografie, kartografische educatie, kartografische infrastructuur, toponymie en de geschiedenis van de kartografie. De bundel werd hem aangeboden op een studiedag op 20 november 2007, die mede georganiseerd was om Ormelings 65ste verjaardag te vieren.

366. Susanne Quartel, Beachwatch. The effect of daily morphodynamics on seasonal beach evolution. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 124 p., 12,50.
Susanne Quartel onderzocht in Noordwijk aan Zee wat de bijdrage van de dagelijkse morfologische veranderingen is op de seizoensgebonden ontwikkeling van het strand aan een microgetijde (dat wil zeggen: waterstandsverschil tussen eb en vloed is 1,8 meter) stormgedomineerde kust. Daarvoor bestudeerde ze de dag-tot-dag veranderingen van het intergetijde zandbanksysteem tussen de eb- en de vloedlijn (invloed van golfcondities), alsmede de maandelijkse veranderingen in strandbreedte en strandvolume (seizoenen). De dagelijkse veranderingen in de strandmorfologie werden vastgelegd met een Argus videosysteem, de maandelijkse variaties door elke maand hoogtemetingen van het strand te doen over een kustlangse afstand van anderhalve kilometer.

367. Rutger van Merkerk Intervening in emerging nanotechnologies. A CTA of Lab-on-a-chip technology. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut. 204 p, 20.
Rutger van Merkerk combineerde zijn dubbele opleiding in Groningen - als toegepast natuurkundige en als bedrijfskundige - om in Utrecht onderzoek te doen naar de ontwikkeling en introductie van Lab-on-a-chip technologie. Voor wie dat niets zegt: in een lab-on-a-chip worden vloeistoffen geleid door geminiaturiseerde kanalen; met dergelijke vloeistofchips zijn analyses mogelijk, bijvoorbeeld in ziekenhuizen aan het bed bij de patiënt (dan bekend als point-of-care testen).
    Lab-on-a-chip technologie is een voorbeeld van een opkomende technologie, een technologie die zich nog naar alle kanten kan ontwikkelen. De betrokkenen zijn onzeker over de uitkomsten en opbrengsten en over de te volgen strategie. Van Merkerk onderzoekt de mogelijkheden om op een constructieve wijze via interventies dit innovatieproces te sturen, om zo de kwaliteit en de maatschappelijke inbedding ervan te vergroten. Hoe kan bijvoorbeeld het Collingridge dilemma het hoofd geboden worden? Dit dilemma speelt een rol in vroege stadia van ontwikkeling wanneer de mogelijkheden om nieuwe technologie te ontwikkelen en toe te passen onbegrensd lijken, maar niemand nog weet welke technologie opties uiteindelijk succesvol zullen zijn. Toch moeten er beslissingen vallen en investeringen gedaan worden, die in een latere fase - wanneer de uitkomsten beter te voorspellen zijn - niet de beste blijken te zijn. Maar veranderingen zijn dan niet meer zo gemakkelijk.

368. Roy Frings, From gravel to sand. Downstream fining of bed sediments in the lower river Rhine. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 219 p., 25.
Hoe meer stroomafwaarts, hoe fijner het beddingsediment. Het verschijnsel is reeds eeuwenlang bekend, maar wordt nog steeds bestudeerd omdat de stroomafwaartse korrelgrootte-afname gevolgen heeft de morfologie van de rivierbedding, de waterstanden tijdens afvoergolven en de ecologie.
    Ook Roy Frings onderzocht het verschijnsel, niet in een grindrivieren (zoals de meeste onderzoekers doen), maar in een zandrivier en in de overgangszone tussen grond- en zandrivieren. De benedenloop van de Rijn was zijn voornaamste studiegebied. Hij bepaalde wat de invloed is van abrasie (afslijting van korrels tijdens het transport), selectief transport (het preferentiële transport van kleine korrels), additie-extractieprocessen (aanvoer van riviervreemd sediment, en onttrekking van sediment aan de rivier) en externe factoren (klimaat, tektoniek, menselijke invloed) op de stroomafwaartse afname van de korrelgrootte. Selectief transport bleek de belangrijkste factor te zijn.

369. Walter Immerzeel, Spatial modelling of mountainous basins. An integrated analysis of the hydrological cycle, climate change and agriculture. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 145 p., 25.
In het reguleren van de mondiale waterbalans spelen bergketens een cruciale rol. Ze fungeren als watertorens; het Himalaya-gebergte bijvoorbeeld voorziet meer dan 20% van de wereldbevolking van schoon water tijdens de droge perioden van het jaar. Ondanks hun fundamentele betekenis en kwetsbaarheid voor klimaatverandering is er in bergachtige stroomgebieden betrekkelijk weinig onderzoek gedaan naar de relaties tussen de hydrologische cyclus, klimaatverandering en landbouw. Vooruitgang is vooral geboekt in het meten en modelleren van de hydrologische cyclus met steeds hogere ruimtelijke en temporele resoluties.
    Vandaar dat Walter Immerzeel zich richtte op (rivierstroomgebieden in) berggebieden: de Himalaya waar de Brahmaputra ontspringt, en in Zuid-India de Upper Bhima. Hij wil met zijn studie bijdragen aan het opvullen van drie grote kennishiaten: het gebrek aan fundamentele gegevens over de ruimtelijke heterogeniteit van klimaatvariabelen in berggebieden, het ontbreken van een techniek om hydrologische modellen te kalibreren in gebieden met weinig gegevens, en tenslotte de afwezigheid van een verband tussen de complexe uitvoer van simulatiemodellen en duidelijke informatievoorziening aan beleidsmakers. Dat laatste werd onderzocht in een agrarisch stroomgebied op het Tibetaanse plateau dat een belangrijke watervoorzienende functie heeft voor benedenstroomse gebieden. Boeren op het plateau zijn bereid over te stappen van geïrrigeerde naar niet-geïrrigeerde landbouw, mits ze financiële compensatie krijgen. De overstap levert meer water op voor benedenstroomse gebruikers, die daarvoor willen betalen. 

370. Daniël S.J. Mourad, Patterns of nutrient transfer in lowland catchments. A case study from northeastern Europe. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen. 174 p., 20.
Hoewel het Peipsi-meer, gelegen op de grens van Estland en Rusland en groter dan geheel Nederland, in vergelijking met West-Europese meren slechts een geringe nutriëntenconcentratie heeft, is de concentratie van stikstof en fosfor er hoog genoeg om waterkwaliteitsproblemen te veroorzaken. De verontreiniging blijkt vooral uit diffuse emissiebronnen (landbouw) te komen, minder uit puntbronnen (zoals lozingen van industrie en rioolwaterzuiveringsinstalllaties).
    Daniël Mourad probeert in dit proefschrift op kwantitatieve wijze de factoren en processen vast te stellen die de ruimtelijke en temporele variatie van concentraties en vrachten van nutriënten bepalen. Dit poging deed hij zowel voor de toevoer van stikstof en fosfor naar het Peipsi-meer op een vijfjaarbasis tussen 1985 en 1999 en voor de toekomst (2025-2019), als voor de seizoensvariatie en de ruimtelijke variatie van concentraties en vrachten in het kleinere Ahja-stroomgebied (ten zuidwesten van het Peipsi-meer). Uit het totaalbeeld van relevante factoren en processen construeert Mourad een conceptueel model van de overdracht van nutriënten tussen land en oppervlaktewater. Met behulp van dit model is het mogelijk uitspraken te doen over de gevoeligheid van het gebied voor toekomstige emissie- en klimaatveranderingen.

371. Maryse Chappin, Opening the black box of environmental innovation. Governmental policy and learning in the Dutch paper and board industry. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut, Universiteit Utrecht. 202 p., € 22,50.
De Nederlandse papier- en kartonindustrie kent van oudsher een energie-intensief productieproces. Geen wonder dat dan ook al lang wordt geprobeerd om op energie te besparen. Naast energie zijn ook afval en afvalwater belangrijke aandachtspunten: hoe kan de industrie door milieubesparende innovaties daar wat aan doen? Milieu- en innovatiewetenschapper Maryse Chappin promoveerde op 28 maart 2008 op dit onderwerp in Utrecht; haar proefschrift is ook beschikbaar op www.igitur.nl.
    Hoe leert de papier- en kartonindustrie samen met externe relevante actoren (de overheid, de branchevereniging) productieprocessen zo te veranderen, dat een schoner milieu het gevolg is? Chappins doel was 'het beter begrijpen van enerzijds de structurering van de leerprocessen en de interacties binnen deze leerprocessen en anderzijds de interactie met de overheid'. Tegenwoordig werkt zij als docent aan het departement van Organisatiestudies van de Universiteit Tilburg.

372. Roelof P. Oddens en Marco van Egmond, red., Ormelings atlassen. Catalogus van atlassen geschonken aan de Universiteit Utrecht door de hoogleraren F.J. Ormeling sr. en jr. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen UU, 147 p.,  € 15,-.
In 2003 kwam de Kaartenverzameling van de Universiteit Utrecht in het bezit van bijna 800 voornamelijk 20ste-eeuwse atlassen, afkomstig uit het nalatenschap van prof.dr. Ferjan Ormeling sr. (1912-2002) en als gift van diens zoon Ferjan Ormeling jr., beiden (emeritus-)hoogleraar cartografie. Van deze "Collectie Ormeling" is nu een catalogus beschikbaar, samengesteld door Roelof Oddens, oud-beheerder van de Kaartenverzameling. Met een inleiding van Ormeling jr., in het Nederlands en Engels.    
 
373. Rianne van Melik, Changing public space. The recent redevelopment of Dutch city squares. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen, 232 p.,  € 20,- (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Steeds meer stadspleinen, constateert Rianne van Melik in haar proefschrift, ondergaan een meer of minder ingrijpende opknapbeurt. Parkeerplaatsen worden vervangen door straatmeubilair, terrassen en kunstwerken. Altijd is de gemeente erbij betrok­ken, maar soms ook het bedrijfsleven. Zo is het Schouwburg­plein in Rotterdam door de gemeente heringericht, maar de Beurstraverse ('de Koopgoot') door publiek-private samenwer­king. Op de nieuw ingerichte pleinen zijn twee tendensen in combinatie zichtbaar. Enerzijds wordt de openbare ruimte beveiligd door camera's (secured public space), maar ander­zijds moeten het plein een knusse zitkamer zijn, dat uitnodigt tot evenementen en gethematiseerd vermaak (themed public space). Zo is het steeds schipperen tussen fear en fantasy, op de acht pleinen die Van Melik onderzocht (behalve de beide pleinen in Rotterdam, ook de Grote Markt en Statenplein in Dordrecht, Oude Markt en Van Heekplein in Enschede en Markt en Loeffplein in Den Bosch).

374. Edo Andriesse, Institutions and regional development in Southeast Asia. A comparative analysis of Satun (Thailand) and Perlis (Malaysia). NGS 274. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen, 247 p.,  € 25,- (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Aan weerszijden van de Thais-Maleise grens liggen twee regio's: Satun in Thailand, Perlis in Maleisië. Van aangrenzende regio's hoeft niet te verbazen dat ze op elkaar lijken: geen kernregio's, dezelfde natuurlijke hulpbronnen, een bevolking die in meerderheid islamitisch-Maleisisch is. Tot 1909 behoorden beide regio's bovendien tot de zelfde bestuurlijke eenheid; daarna sneed de nieuwe grens het gebied in tweeën.
     Toch vallen de hedendaagse bezoeker vooral de verschillen op: Satun bleef een regio gericht op landbouw, visserij en agrarisch verwerkende industrie, terwijl Perlis een regio werd waarin publieke diensten de toon aangeven en een levensstandaard bestaat die anderhalf keer hoger ligt dan in Satun. Hoe kan dat? Edo Andriesse zoekt een verklaring in verschillen in formele (regels en contracten) en informele instituties (gedragsnormen en gewoonten). Hij laat zien dat in Maleisië de staat sterkt ingrijpt in de regionale economie; het hoofd van de regering in Perlis onderhoudt bovendien een goede relatie met de premier van Maleisië. Dat heeft geleid tot grote stromen overheidsgeld naar Perlis ten behoeve van infrastructuur, toerisme en onderwijs.
     In Satun ging het de economie minder voor de wind. De publieke sector en het regionale ontwikkelingsbeleid stellen er weinig voor en de invloed van ondernemers in `Bangkok' is gering. Gouverneurs van Satun azen op een snelle overplaatsing naar populairdere provincies elders in Thailand. Hoewel schadelijk, waren de ineffectieve Thaise nationale instituties niet desastreus, omdat de in Satin bestaande regionaal-specifieke guanxi stijl van zakendoen enige compensatie bood (guanxi is een set van coöperatieve omgangsvormen onder etnisch-Chinese ondernemers.

375. Elger Heere, 2008. GIS voor historisch landschapsonderzoek. Opzet en gebruik van een historisch GIS voor prekadastrale kaarten. 231 p., plus CD-ROM, € 30,-,  Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen.
Wat zijn de mogelijkheden om tot een GIS voor prekadastrale kaarten te komen? Historisch-kartograaf Elger Heere ging op onderzoek uit, waarop hij 27 juni 2008 in Utrecht promoveerde. Hij lokaliseerde en verwerkte de percelen van negen kaartboeken uit het Gemeentearchief Delft (en een kaartboek van het Hoogheemraadschap Delfland) in een geografisch informatiesysteem. De topografische attributen, die op de betreffende kaarten staan, zijn verwerkt in een database. Vervolgens is een grote diversiteit aan aanvullende informatie toegevoegd, zoals topografische kaarten, de bodemkaart en  archeologische vindplaatsen.
De veelheid aan data en analysemogelijkheden doet de vraag rijzen hoe gebruikers met zo'n GIS omgaan. Om dat te bestuderen, heeft Heere een gebruikersonderzoek gehouden, waarbij hij vooral lette op de manier waarop de gebruikers hun weg vinden door de grote hoeveelheid data en de onderzoeksstrategieën ze daarbij ontwikkelden. 

376. Mamadouh, V. e.a. red. Dutch windows on the Mediterranean; Dutch geography 2004-2008. NGS 376, 104 p., cd-rom. € 10,-KNAG/IGU, Section The Netherlands.
Het is een goede gewoonte: de sectie Nederland van de Internationale Geografische Unie brengt bij elk vierjaarlijks congres van de IGU een boekje uit, waarin de Nederlandse geografie wordt gepresenteerd en waarin enkele inhoudelijke bijdragen zijn opgenomen. Zo'n boekje wordt als visitekaartje uitgedeeld aan de congresgangers. Vier jaar geleden, in Glasgow, was er een NGS over Nederlands geografisch onderzoek op de Noordzee. Nu in 2008 ter gelegenheid van het congres in Tunis een boekje over de Middellandse Zee, met daarin tien bijdragen van sociaal- en fysisch-geografen.

377. Marissing, E. van. Buurten bij beleidsmakers. Stedelijke beleidsprocessen, bewonersparticipatie en sociale cohesie in vroeg-naoorloogse stadswijken in Nederland. NGS 377, 230p., KNAG/Geowetenschappen, UU.,  25
Eric van Marissing deed onderzoek naar factoren die van invloed zijn op de sociale cohesie en bewonersparticipatie in Nieuw-Hoograven (Utrecht), Bouwlust (Den Haag) en Liendert (Amersfoort). Vooral keek hij naar de rol van professionals: wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen als zij slecht communiceren naar wijkbewoners?

378. M. de Beer, R.C.L. Buiting, D.J. van Drunen en A.J.T. Goorts,  red., Water wegen. Op zoek naar de balans in de ruimtelijke ordening. Utrecht: KNAG/VUG/Fac. Geowetenschappen Universiteit Utrecht,  91 p.,  € 10,-.
Lustrumcongressen van de Utrechtse geografische studentenvereniging VUGS blinken altijd uit in woordspelige titels. Ook die van oktober 2007: Water wegen. Vijf voordrachten over water en ruimtelijke ordening in Nederland zijn in dit bundeltje verzameld. Afgezien van een inleiding en een conclusie gaat het om:

1) Klimaatverandering: een kans voor innovatieve maatregelen vanuit co-makership (Van Drunen en Vellinga);
2) Veiligheid tegen overstromen: verkenning lange termijn opgave klimaatbestendigheid van Nederland (Ligtvoet, Knoop e.a.);
3) Gebiedsontwikkeling als context voor wateropgaven (Van Rooy);
4) Ontwerpend onderzoek naar de kansen en bedreigingen van klimaatverandering in de Zuidplaspolder (De Groot e.a.);
5) Leeft Nederland inderdaad met water? (Van Ginkel en Van der Vaart).

379. J.M. Schuurmans, Hydrological now- and forecasting. Integration of operationally available remotely sensed and forecasted hydrometeorological variables into distributed hydrological models.  Utrecht: KNAG/Faculty of Geosciences, University Utrecht. 154 p., € 15,-.
Het proefschrift van hydrologe Hanneke Schuurman (verdedigd op 28 november 2008, promotoren Marc Bierkens en Frans van Geer) is – afgezien van een inleiding en synthese - een bundeling van vier artikelen die in wetenschappelijke tijdschriften verschenen. De titels van die artikelen/hoofdstukken geven een indruk waarmee ze zich bezighield:
- automatic prediction of high-resolution daily rainfall fields;
- effect of spatial distribution of daily rainfall on interior catchment response of a distributed hydrological model (studiegebied: de Lopikerwaard, 135 vierkante kilometer groot);
- remotely sensed latent heat fluxes for improving modelled soil moisture predictions: a case study (van de Langbroekerwetering, ongeveer 70 vierkante kilometer groot);
- ability to forecast regional soil moisture with a distributed hydrological model using ECMWF rainfall forecasts.  

 380. Marcel van den Broecke (2009) Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum (1570-1641). Characteristics and development of a sample of on verso map texts. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen, 304 pp., cd-rom,  € 30,- (zie ook: www.uu.nl/igitur).
De teksten op de achterkant van de atlaskaarten in Theatrum Orbis Terrarum, uitgegeven in 1570 door Abraham Ortelius, zijn nooit onderzocht. Marcel van den Broecke (1942), al eerder in 1976 gepromoveerd op een onderzoek in de fonetiek, ging zich na zijn pensionering voltijds bezighouden met deze teksten. Hij nam een steekproef van tien kaarten en onderzocht de teksten op hun achterzijde en vertaalde die naar het modern Engels. Ze geven beschrijvingen van het gebied dat op de voorzijde is afgedrukt: ‘Zweden is een land dat rijk is aan zilver-, koper-, lood- en ijzermijnen. Het heeft een overvloed aan vee …. Zijn hoofdstad is Stockholm, gelegen aan zee als Venetië, goed verdedigd…’Enzovoorts. Het blijkt dat er twee soorten teksten zijn: wetenschappelijke teksten, geschreven in het Latijn, voor een publiek van academisch gevormde renaissance geleerden, en populaire teksten in de Nederlandse, Franse en Duitse edities van zijn atlas voor welvarende kooplieden en bestuurders die ook liefhebbers van zijn atlas waren. Van den Broecke’s conclusie: de onderzochte teksten zijn ten onrechte bijna 450 jaar nooit onderzocht; ‘ze geven een innovatief beeld van hoe Ortelius als autodidact en encyclopedist zijn wereld zag’.
OUT OF PRINT, Niet meer te bestellen

 381. Johannes van der Kwast (2009) Quantification of top soil moisture patterns. Evaluation of field methods, process-based modelling, remote sensing and an integrated approach. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen, 313 p.,  € 30, - (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Te weinig zoet water is een probleem, maar een te veel ook. Er is, schrijft fysisch-geograaf Johannes van der Kwast (1979) in zijn proefschrift, meer inzicht nodig in de ruimtelijke en temporele variatie van bodemvocht. Er bestaat ‘een dringende behoefte aan operationele modellen die nauwkeurig bodemvochtpatronen in ruimte en tijd kunnen voorspellen’. Wat is de performance (in termen van nauwkeurigheid, support en coverage) van de verschillende methoden die elk op zich gebruikt (kunnen) worden voor de bepaling van bodemvochtpatronen aan het aardoppervlak en wat is de performance van een gecombineerde benadering die een particle filter data assimilatie algoritme gebruikt? Van der Kwast werkte met veldmetingen, proces gebaseerde modellen en remote sensing data in drie studiegebieden: Barrax (Spanje), Sehoul (Marokko) en La Peyne (Frankrijk).

382. Zanen, TJ. ‘Actie, actie, actie…’De vakbeweging en de regio Noord-Nederland, 1960-1992.  252 p. KNAG/Fac. Ruimtelijke Wetenschappen, RU Groningen, € 30, -.
Teun Jan Zanen (1946), voor zijn pensionering gestaald vakbondsbestuurder in Noord-Nederland en nadien zeer actief in de Partij voor het Noorden, promoveerde op 12 februari 2009 in Groningen (promotor: prof.dr. P.H. Pellenbarg) op een onderzoek naar de invloed van de vakbeweging in Noord-Nederland in de jaren 1960-1992 op de regionaal-economische herstructurering. Geen academische toonzetting: Zanen heeft de pest erin dat de baten van de aardgaswinning nauwelijks aan Noord-Nederland ten goede komen: 88% van die baten wordt benut in de Randstad (voor bijvoorbeeld de aanleg van de HSL), slechts 2% gaat naar het Noorden. ‘Mocht het rijk volharden in zijn autistische verhouding tot Noord-Nederland, dan kan zich zeker opnieuw een sociaal conflict ontwikkelen, al dan niet met een sterke inbreng van een (regionale) vakbeweging’.

In zijn proefschrift stelt hij zich zes vragen:
1) bestaat er een Noord-Nederlandse identiteit en is die gekoppeld aan een streven naar meer regionale autonomie?
2) was er in de jaren 1960-1992 sprake van een sociaal conflict tussen een beweging tegen de achterstelling van Noord-Nederland enerzijds en Den Haag anderzijds?
3) Heeft de vakbeweging in Noord-Nederland zijn vrij zwakke structuren kunnen uitbouwen tot een relatief sterke regionale vakbeweging, die zich in de onderzochte periode heeft gemanifesteerd als een belangrijke actor?
4) Welke rol speelde de vakbeweging bij een aantal spraakmakende regionale herstructureringsprocessen?
5) Hoe wordt in het noorden aangekeken tegen de regionale vakbeweging?
6) Heeft de opstelling van de vakbeweging in het noorden geleid tot een krachtenbundeling van de diverse regionale actoren? En zo ja, waren ze succesvol?  

383. Mathieu Permentier, Reputation, neighbourhoods and behaviour. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen. 145 p., € 15,- (zie ook: www.uu.nl/igitur).
Op 20 april 2009 promoveerde stadsgeograaf Mathieu Permentier op een bundel artikelen die gaan over de reputatie van buurten en hun invloed op buurtbewoners. Buurtreputaties zijn niet onbelangrijk: zo zouden mensen die in ongunstig bekend staande buurten wonen minder kansen hebben op de arbeidsmarkt dan mensen die in hun sollicitatie een ‘goed adres’ kunnen vermelden. Permentier liet zich vooral inspireren door Hirschman’s ‘Exit, voice & loyality’ kader uit 1970. Vertrekken mensen uit buurten die een slechte reputatie hebben vanwege die reputatie (een exit strategie)? Een andere reactie kan zijn dat mensen proberen door participatie in buurtorganisaties de reputatie van hun buurt te verbeteren (voice & loyality). Ze gaan bijvoorbeeld inspraakavonden van de gemeente over de buurt bezoeken.
Om de waarde van Hirschman’s kader te bepalen trok Permentier 24 buurten in Utrecht in. Op zijn verzoek vulden bijna 1400 buurtbewoners zijn vragenlijst in. Het blijkt dat een negatieve perceptie van buurtreputatie de kans vergroot dat bewoners uit de buurt weg willen. Daarin had Hirschman gelijk. Dat actief zijn in de buurt (bezoek aan inspraakavonden) leidt tot minder behoefte om te verhuizen – een andere veronderstelling van Hirschman – klopt niet. Mensen die negatief denken over hun buurt, bezoeken niet gauw een inspraakavond.

384. Ate Visser, Trends in groundwater quality in relation to groundwater age. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen. 188 p., € 20.
Fyisch-geograaf Ate Visser stelde zich tot doel om trends in grondwaterkwaliteit aan te tonen door specifiek rekening te houden met de ‘reistijd’ of ‘leeftijd’ van het bemonsterde grondwater. De leeftijd van grondwater is de tijd die verstreken is tussen het moment dat het water als regen in de bodem is terechtgekomen en het moment dat Visser een monster nam van het grondwater. Veranderingen in de concentratie van verontreinigingen die vandaag in het grondwater worden geconstateerd, kunnen het gevolg zijn van verontreinigingen die jaren geleden hebben plaatsgevonden. En omdat grondwater stroomt (reistijd) worden monsters op een andere plek genomen dan waar het viel. Tijdens deze reistijd kunnen in het grondwater opgeloste stoffen (bijvoorbeeld chloriden en nitraten) al dan niet interacties met de ondergrond aangaan. Tijdens het ondergrondse transport van grondwater vinden chemische processen plaats die de kwaliteit van grondwater beïnvloeden. Het empirisch onderzoek vond plaats in Noord-Brabant. Visser constateerde dat de kwaliteit van grondwater in Brabantse landbouwgebieden sinds 1990 vooruit is gegaan. De gehaltes van nitraat en andere landbouwgerelateerde stoffen zijn gedaald in grondwater dat na 1990 in de bodem is geïnfiltreerd.

385 Bernardo Alves Furtado (2009) Modelling social heterogeneity, neighborhoods and local influences on urban real estate prices. Spatial dynamic analyses in the Belo Horizonte metropolitan area. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht. 235 p., € 25.
De Braziliaans architect en geograaf Bernardo Alves Furtado (inmiddels werkzaam als docent en onderzoeker in zijn vaderland) probeert in zijn in Utrecht in juni 2009 verdedigde proefschrift twee wetenschapsvelden met elkaar te combineren: de stedelijke economie – die van oorsprong redeneert vanuit een monocentrisch ruimtelijk-economisch raamwerk – en dat van de zelforganiserende systemen en cellular automata modellen, die multinodaal en in termen van evolutionaire stedelijke ontwikkeling ‘denken’. Zijn case studie is de stedelijke vastgoedmarkt in de Braziliaanse miljoenenstad Belo Horizonte. Furtado heeft vooral oog voor het belang van de sociaal-economische heterogeniteit van wijken in Belo Horizonte. Zijn hypothese is ‘dat wijken als identiteitsgemeenschappen een belangrijke factor vormen bij het analyseren en verklaren van vastgoedprijzen en lokaalgebonden stedelijke ontwikkeling op lange termijn’. Zijn onderzoeksvragen:

- verbeteren stedelijk vastgoedprijs modellen wanneer rekening wordt gehouden met wijkidentiteit en sociale heterogeniteit?
- Kunnen cellular automata modellen meer bijdragen aan het begrip van stedelijke dynamische processen wanneer sociale heterogeniteit en negatieve terugkoppelingsmechanismen worden meegenomen?

386. Ton de Nijs (2009) Modelling land use change. Improving the prediction of future land use patterns. Utrecht: KNAG. Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht. 204 p., € 25 (zie ook: www.uu.nl/igitur).
De LeefOmgevingsVerkenner is een ruimtelijk dynamisch model dat in de afgelopen jaren is ontwikkeld door onder andere het RIVM en MNP om veranderingen in landgebruik te modelleren. Een van de mensen die daarmee bezig is geweest is Ton de Nijs (1960), van huis uit een geochemicus. Zijn studies heeft hij gebundeld in dit in Utrecht verdedigde proefschrift. Landgebruiksmodellen, schrijf hij, ‘worden gebruikt om inzicht te krijgen in de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en conflicterende belangen tussen verstedelijking, industrialisatie, landbouw, natuur en waterbeheer’. Dat ruimtelijke conflicten onvermijdelijk zijn, blijkt uit de verwachte groei van woonwijken (tot 2030 heeft men in Nederland 90 duizend hectare daarvoor nodig), industrie, kantoren en winkels (samen 55 duizend ha) en wegen (3700 km extra). Waar komen die functies terecht? Men kan dat voorspellen door te kijken naar het verleden. Dat leert dat de kans dat bijvoorbeeld vliegvelden en water worden bebouwd klein is. De kans dat volkstuinen, sportterreinen en landbouwgronden aan de rand van de stad moet wijken voor nieuwe functies is des te groter. Met behulp van dit soort kennis kan men met behulp van een simulatiemodel uitrekenen hoe de Nederlandse bodem in 2030 zal worden gebruikt. 

387. Ingrid J. Visseren-Hamakers, 2009, Partnerships in biodiversity governance. An assessment of their contributions to halting biodiversity loss. Utrecht: KNAG/Copernicus Instituut, Universiteit Utrecht. 177 p., € 20 Over de hele wereld bestaan tal van partnerships tussen publieke en private actoren (overheden en maatschappelijke organisaties) en tussen private actoren onderling (bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties) die tot doel hebben om de bestaande biodiversiteit te beschermen en/of duurzaam te gebruiken. Ingrid Visseren, die zelf onder meer werkte bij Dierenbescherming, de provincie Zuid-Holland, Greenpeace en Aidenvironment, onderzocht hoe succesrijk partnerships zijn: wat is hun bijdrage aan het internationale biodiversiteitsbeleid? En wat zijn de consequenties van partnerships voor het gehele biodiversiteit governance systeem (kunnen bijvoorbeeld publieke en private sturingsmechanismen elkaar versterken?). In totaal onderzocht zij de bijdrage van 24 partnerships aan de bescherming en het duurzaam gebruik van bossen (zoals de Forest Stewardship Council), aan duurzame aquacultuur van garnalen en duurzame ansjovis visserij (beide gericht op behoud van mariene biodiversiteit), aan bescherming van mensapen (Great Apes Survival Project), ecologische hotspots (Critical Ecosystem Partnership Fund) en koraalriffen (ICRAN), en aan de bescherming van biodiversiteit tegen de nadelige effecten van klimaatverandering (zoals het Better Sugercane Initiative). Een van haar conclusies is dat partnerships vooral succesvol zijn in hun innovatie rol en in het ontwikkelen van certificeringsstandaarden.

388. Gilles Erkens, Sediment dynamics in the Rhine catchment. Quantification of fluvial response to climate change and human impact. KNAG/Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht, 278 p. + kleurenkaart, € 30.
Fysisch-geograaf Gilles Erkens promoveerde in november 2009 op een studie naar de reactie van de Rijn onder veranderende condities in externe factoren gedurende de laatste 20 duizend jaar. De twee externe factoren zijn klimaatverandering (in de afgelopen 20 duizend jaar was er de overgang van de laatste ijstijd naar de huidige warme tijd) en de opkomst van menselijk landgebruik. Erkens beschouwde de reactie van de Rijn op de schaal van het stroomgebied en in tijdstappen van 500 jaar tot enkele millennia. Hij maakte onderscheid tussen twee typen van rivieraanpassingen: 1) morfologisch-stratigrafische aanpassingen zoals af te leiden uit de vorm en opbouw van rivierafzettingen en 2) sedimentaire aanpassingen (veranderingen in de aanvoer van sediment) zoals bepaald uit de hoeveelheden afgezet sediment. Erkens deed veldwerk in het terrassenlandschap van de noordelijke Boven-Rijndalslenk en de Benedenrijnse Laagvlakte in Duitsland en in de Rijn-Maas delta in Nederland. Voornaamste conclusies:
- interne rivierdynamiek beïnvloedt sterk de morfologische en stratigrafische riveraanpassingen ten gevolge van externe factoren;
- het kost grote rivieren enkele millennia om zich in morfologisch-stratigrafische zin aan te passen aan grootschalige klimaatveranderingen;
- veranderingen in sedimentaanvoer benedenstrooms kunnen niet direct gekoppeld worden aan rivieraanpassingen bovenstrooms, doordat opslag van sediment in het stroomgebied zowel een vertragend als na-ijlend effect heeft;
-  prehistorische landbouw heeft een meetbaar effect gehad op de sedimentdynamiek in het stroomgebied van de Rijn.

389. Marc Hijma, (2009) The early-mid Holocene transgression of the Rhine-Meuse valley, The Netherlands. 190 p., € 25. Met losse kleurenkaart: Geological cross sections across the river-mouth area of the Rhine-Meuse system’. Utrecht: KNAG/Geowetenschappen UU.
“Een estuarium is het meest zeewaartse deel van een rivier en ontvangt sediment dat zowel vanuit zee als door de rivier wordt aangevoerd.” Aldus de definitie die Marc Hijma gebruikt in zijn dissertatie. Hij vervolgt, samengevat: “de meeste hedendaagse estuaria zijn ontstaan in rivierdalen uit de laatste ijstijd. Deze eindigde 12 duizend jaar geleden toen de huidige warme periode aanbrak (het Holoceen). De dalen verdronken toen het ijs smolt en de zeespiegel snel begon te stijgen. Het sedimentpakket in dergelijke dalen bevat belangrijke informatie over hoe rivier- en kustsystemen reageren op zeespiegelstijging”. De hoofddoelen van zijn studie zijn het analyseren en verklaren van:
- de vroeg-midden Holocene sediment in de Rijn-Maasmond (opgestapeld tussen 12 en 6 duizend jaar geleden);
- de vroeg-midden Holocene ontwikkeling van het Rijn-Maasmond gebied in reactie op de zeer snelle zeespiegelontwikkeling;
- de interactie tussen de rivier- en kustsystemen tijdens de vroeg-midden Holocene verdrinking.

390. Loes van Schaik (2009) The role of macropore flow from plot to catchment scale. A study in a semi-arid area. NGS 390, 172 p., € 20. Utrecht: KNAG/Geowetenschappen UU. 
Kennis van de wisselwerking tussen vegetatie, bodemvochtverdeling en oppervlakte afstroming met daardoor veroorzaakte erosie noemt Loes van Schaik van essentieel belang, gelet op de wereldwijde processen van verdroging en landschapsdegradatie. In haar proefschrift onderzoekt ze deze wisselwerking aan de hand van veldwerkgegevens in een 900 ha groot onderzoeksgebied (de Parapuños) in de Extremadura. Zij bestudeerde met name de rol van preferente stroming op de hydrologie van plot schaal tot stroomgebied. De meetresultaten laten zien, aldus Van Schaik, “dat preferente stroming in het hele stroomgebied voorkomt, op verschillende schalen. Een uitgebreide analyse van bodemvochtveranderingen, piezometerstanden- en neerslag-afvoer relaties, leidt tot de conclusie dat er een groot aaneengeschakeld netwerk van macroporiën bestaat. Zowel verticale als laterale stroming door dit preferentie netwerk treedt op ongeacht de matrix bodemvochttoestand en kan tussen de 13% (onder natte omstandigheden) tot 80% (onder droge omstandigheden) aan de totale gebiedsafvoer bijdragen.”

391. Brian Doucet (2010) Rich cities with poor people. Waterfront regeneration in the Netherlands and Scotland. 205 p., 25 euro. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen UU.
Veel steden switchen van een industriële naar een diensteneconomie. Om die transformatie te vergemakkelijken werken ze graag met flagship projecten: spectaculaire stedebouwkundige vormen. Maar wie hebben eigenlijk baat van deze projecten? Brian Doucet – van origine een geograaf uit Canada en een vooraanstaande curling speler - zocht het uit. Zijn belangrijkste veldwerkgebieden waren de Kop van Zuid in Rotterdam en Glasgow Harbour in Glasgow, respectievelijk ontwikkeld door de gemeente Rotterdam en projectontwikkelaar Clydeport. Doucet sprak er met sleutelpersonen om te achterhalen in hoeverre de doelen van flagships afhankelijk zijn de posities van verschillende actoren.
Een van die doelen is gentrification en het aantrekken van rijkere huishoudens. Wat vinden (arme) Rotterdammers daarvan? Het is niet vanzelfsprekend dat arme inwoners flagships waarderen, zeker niet als flagships leiden tot gentrification van hun woonwijken en dus tot duurdere woningen. Maar mensen uit de Afrikaanderwijk, die grenst aan de Kop van Zuid, zijn te spreken over de nieuwbouw op de Kop van Zuid. Ook uit een ander onderzoek van Doucet, in de wijk Leith in Edinburgh, blijkt dat wijkbewoners tevreden met de gentrification – de wijk heeft er een veel betere reputatie door gekregen.

392. Leo Pape (2010) Predictability of nearshore sandbar behavior. 157 p., 17,50 euro. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen UU.  
Utrechtse fysisch-geografen hebben een lange reeks dissertaties naar het gedrag van zandbanken afgeleverd. Deze van Leo Pape – hij studeerde overigens geen fysische geografie maar cognitieve kunstmatige intelligentie - houdt zich bezig met de vraag naar de voorspelbaarheid van de kustdwarse locatie van banken door de tijd heen langs de kust van Australië (The Gold Coast), Japan (Hasaki) en Nederland (Egmond). ‘Kustdwars’ verwijst naar de loodrechte afstand tussen de top van de zandbank en een vast punt op de wal. Die afstand kan groter worden (de zandbank verplaatst zich zeewaarts) maar ook kleiner (de bank kruipt naar de kust toe). Banken zoeken naar een evenwichtslocatie waar de naar zee en de naar land gerichte zandtransporten in balans zijn. Wanneer een bank niet op zijn evenwichtslocatie ligt, drijven de golven de bank naar deze locatie, tenminste zolang de golven hoog genoeg zijn om op de bank te breken.
Pape analyseert modellen die het gedrag van zandbanken beschrijven in termen van onderliggende fysische processen van waterbeweging en zandtransport. De hoop dat betere, meer gedetailleerde modellen leiden tot betere voorspellingen van het gedrag van zandbanken, wordt echter niet bewaarheid. Simpele modellen doen soms betere voorspellingen dan ingewikkelde. Pape wijt dit aan de aanwezigheid van niet-lineaire vergelijkingen in het model.

393. Mariëtte M. van Huijstee (2010) Business and NGOs in interaction. A quest for corporate social responsibility.  Utrecht: KNAG/Copernicus Institute Universiteit Utrecht, 176 p., 24 euro.
Hetzij gedreven door eigen overtuiging, hetzij gedwongen door de publieke opinie, kiezen meer en meer (grote) bedrijven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bij hun pogingen daar iets aan te doen zoeken ze contact met non-gouvernementele organisaties. Omgekeerd hebben veel NGO’s hun confrontatiekoers verlaten en streven zij naar samenwerking met bedrijven, om zo sociale en ecologische belangen te dienen.
Mariëtte van Huijstee, van opleiding communicatie-expert, onderzocht bedrijf-NGO interacties: wat zijn de gevolgen, kansen en beperkingen ervan voor bedrijven en NGO’s? Zij interviewde sleutelpersonen van enkele grote Nederlandse multinationals (welke dat zijn, wordt niet gezegd; alleen de Rabobank wordt genoemd) en twee NGO’s: een van oudsher op samenwerking gerichte NGO (Wereld Natuur Fonds) en een meer kritische NGO (Milieudefensie), plus, ter vergelijking, het Amerikaanse Environmental Defense Fund. De dissertatie biedt, aldus Van Huijstee, ‘een gedetailleerd inzicht in de processen waarin bedrijven en NGO’s samen innovatieve bedrijfsvoeringsmodellen ontwikkelen die daadwerkelijk de negatieve sociale en milieueffecten van de bedrijfsvoering kunnen beperken en/of de positieve effecten kunnen vergroten’.

Als alle Utrechtse proefschriften is Business and NGOs in interaction ook digitaal beschikbaar, op igitur-archive.library.uu.nl

394. Anita Kokx (2010), Between dreams and reality. Urban governance in the process of Dutch urban restructuring. Utrecht: KNAG/Fac. Geowetenschappen Universiteit Utrecht. 169 p., 20 euro.
In tal van steden worden wijken uit de jaren 1950-1975 geherstructureerd. Daarbij spelen vele partijen en belangen een rol: woningcorporaties, gemeenten en andere overheidslagen,  bewonersorganisaties en andere (vrijwilligers)organisaties. Hoe werken die samen? Volgens het ideaalbeeld dat geschetst wordt in netwerktheoretische benaderingen gebeurt dat op basis van wederkerigheid, gelijkheid en vertrouwen. Netwerken van actoren zouden zelfsturend zijn, verantwoordelijkheden worden op elkaar afgestemd en macht wordt gedeeld. Maar is dat ook de praktijk? Anita Kokx (1957) onderzocht dit in haar proefschrift (een bundeling van in wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerde artikelen), waarop ze op 25 mei 2010 promoveerde. Ze deed dat door 79 semigestructureerde retrospectieve interviews af te nemen met sleutelinformanten in acht casestudies van wijken uit de jaren 1950-1975: de wijken Heuvel en Noordoost in Breda, Bouwlust in Den Haag, Hoograven in Utrecht, Pendrecht in Rotterdam, Kruiskamp in Amersfoort, Malburgen in Arnhem en Holtenbroek in Zwolle.
Het blijkt dat van alle mooie beleidsintenties (de ‘dromen’ uit de titel) in de werkelijkheid weinig overeind blijft. Eerder dan de netwerkbenadering blijkt de politiek-economische benadering van multi-scalar en meta-governance te kloppen waarin de nadruk ligt op ongelijke machtsverhoudingen tussen overheidslagen en sterke sturing door de centrale staat in lokale samenwerkingsarrangementen om daarmee de neoliberale agenda te kunnen uitvoeren. Kokx: “de resultaten laten zien dat actoren zich bewust zijn van de noodzaak om samen te werken en daartoe ook bereid zijn. De resultaten laten echter niet het netwerktheoretische principe van gelijkheid zien door middel van verspreiding van staatsmacht, maar tonen de sterke dominantie van neoliberale doelen met een sterke rijksregulering van de steden. We vinden niet het principe van wederkerigheid, maar actief grensmanagement door het verplaatsen van de publieke kosten naar de woningcorporaties. Bovendien treffen we het netwerkprincipe van vertrouwen niet aan, maar regulering die is gebaseerd op wantrouwen, zoals wordt gereflecteerd in het prestatiemanagement van het Rijk en in de dominante rol van contracten.” En bewonersparticipatie dient niet om bewoners een sterkere positie te geven maar om de bestuurbaarheid te vergroten.

 395. Sanneke van Asselen (2010) Peat compaction in deltas. Implications for Holocene delta evolution. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht, 180 p., 17,50 euro.
Hoe delta’s zicht ontwikkelen hangt niet alleen af van sedimentaanvoer, maar ook van accomodatieruimte: het sediment moet kunnen neerslaan. De omvang van de accomodatieruimte wordt bepaald door de snelheid van eustatische zeespiegelstijging en van bodemdaling door tektoniek, isostasie en compactie van sedimenten. Het onderzoek van Sanneke van Asselen richt zich op bodemdaling als gevolg van natuurlijke compactie van veen in het fluviatiele deel van holocene deltagebieden. Omdat veen vergeleken met sedimenten als klei, silt en zand zeer compacteerbaar is, kan veencompactie potentieel tot grote bodemdalingen leiden. Daarnaast creëert veencompactie accomodatieruimte voor sedimentatie, waardoor het sedimentatiepatronen in delta’s kan beïnvloeden. Ook kan het invloed hebben op overstromingsrisico’s. Hoofddoel van deze studie is het kwantificeren van bodemdaling door veencompactie  en het evalueren van effecten van veencompactie op de ruimtelijke en temporele ontwikkeling van delta’s. Veldonderzoek werd gedaan in de Cumberland Marshes (Canada), Rijn-Maas delta en in het Biebrza National Park in Polen.

396. Reinder J. Brolsma (2010) Effect of climate change on temperate forest ecosystems. Utrecht: KNAG/Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht, 157 p., 17,95 euro.
In gematigde klimaatgebieden heeft grondwater een sterke invloed op vegetatie, omdat het de spatio-temporele patronen van bodemvocht kan beïnvloeden en daarmee de water- en zuurstofstress van vegetatie. Klimaatverandering leidt tot veranderingen in neerslag en grondwater en heeft dus gevolgen voor de vegetatie. In dit proefschrift presenteert Reinder Brolsma kwantitatieve modellen voor het bestuderen van ecohydrologie in grondwaterbeïnvloede gematigde ecosystemen, i.c. bossen. Meer neerslag leidt bijvoorbeeld tot een grondwaterstijging hoger op hellingen en dus tot helling opwaartse verschuiving van natte vegetatie. Het uiteindelijke model, aldus Brolsma, ‘combineert een dynamisch biofysisch-gebaseerd vegetatiemodel voor het bestuderen van vegetatiedynamiek en –competitie en een fysisch-gebaseerd verzadigd-onverzadigd hydrologisch model’.
Als van bijna alle Utrechtse proefschriften is een complete digitale versie van deze dissertatie te vinden op igitur-archive.library.uu.nl. 

 


Publications of this series can be ordered from KNAG / NETHERLANDS GEOGRAPHICAL STUDIES, P.O.Box 805, 3500 AV Utrecht, The Netherlands (Fax +31 30 7115 199; E-mail info@remove-this.knag.nl). Prices include packing and postage by surface mail. Orders should be prepaid, with cheques made payable to "Netherlands Geographical Studies". Please ensure that all banking charges are prepaid. Alternatively, American Express, Eurocard, Access, MasterCard, BankAmericard and Visa credit cards are accepted (please specify card number, name as on card, and expiration date with your signed order; or use the order form).