Historie
‘Tot vermeerdering der kennis van de Aardbol’
Het Aardrijkskundig Genootschap werd opgericht op 2 maart 1873. De voornaamste doelstelling was om de belangstelling voor de aardrijkskunde in Nederland aan te wakkeren en langs deze weg de toepassing van geografische kennis voor handelsdoeleinden, maar ook voor scheepvaart, industrie, kolonisatie en emigratie te bevorderen. Die brede doelstelling trachtte men op verschillende manieren te bewerkstelligen: door zich sterk te maken voor de aardrijkskunde binnen het voortgezet en hoger onderwijs; door het propageren en ondersteunen van wetenschappelijk onderzoek in Nederland en haar koloniën; door het aanbieden - vanaf 1874 - van een eigen wetenschappelijk tijdschrift waarin over de ontwikkelingen binnen de geografie werd bericht maar dat eveneens fungeerde als een informatie medium voor het uitwisselen van onderzoeksresultaten; en tenslotte, maar zeker niet op de laatste plaats, door het leveren van een eigen bijdrage aan de exploratie en de ontsluiting van het Nederlandse koloniale rijk.
Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG)
Door deze brede opzet vervulde het Aardrijkskundig Genootschap, vanaf 1888 het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), een centrale rol binnen de Nederlandse geografie. Die rol werd niet alleen gedragen door de prestigieuze expedities die het KNAG organiseerde en de krachtige initiatieven die het op geografische deelterreinen als de etnografie, de fysische geografie, de economische geografie, de sociale geografie en de cartografie ontplooide. Belangrijk was ook de betekenis van het KNAG als geografische belangengroepering, zowel in politiek, wetenschappelijk als in beroepsmatig opzicht, en haar onophoudelijke streven om de interesse voor de geografie in alle geledingen van de Nederlandse samenleving ingang te doen vonden. In wetenschappelijk opzicht werd dat streven kracht bijgezet door de benoeming - vanaf 1882 - van nationale en internationale ereleden, alsook door het instellen van de prestigieuze Plancius-medaille (1913) en de zilveren en bronzen Veth-medailles (1953). Ook was het Genootschap betrokken bij de organisatie van nationale en internationale conferenties en symposia, zoals de beide IGU-congressen van 1938 en 1996. In bredere zin trok het Genootschap de aandacht door het inrichten van tentoonstellingen waarin vooral de eigen etnografische en cartografische onderzoekscollecties voor het voetlicht werden gebracht, als ook door de organiseren van wetenschappelijke lezingen. Vooral de serie volksvoordrachten voor de werkman en zijn gezin trok tot in de zestiger jaren volle zalen. Met name na de Tweede Wereldoorlog bleek het KNAG onder invloed van de schaalvergroting binnen de geografie, steeds minder als bindmiddel te fungeren. Hoewel het Genootschap zelf mede aan de basis had gestaan van die stormachtige veranderingen, was de uiteindelijke omvorming van het Genootschap naar de dynamische vakvereniging die het thans is, een moeilijk en in vele opzichten ook een pijnlijk proces.
De opbouw van onderzoekscollecties en het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek
Om de voortdurende wijziging van het geografische en cartografische wereldbeeld zo goed mogelijk vast te leggen en te documenteren, legde het Aardrijkskundig Genootschap zich al vanaf haar begin op het bijeenbrengen van boeken en kaarten. Door schenkingen en legaten van leden werd in de beginjaren de basis gelegd voor een indrukwekkende geografische handbibliotheek en een kaartenverzameling die vandaag de dag, ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, tot de belangrijkste geografische onderzoekscollecties in Nederland worden gerekend.
Vooral de kaartenverzameling van het Genootschap heeft een internationale status verworven. Dat aanzien wordt overigens vooral 'bepaald door het feit dat in deze collectie alle traditionele hoogtepunten in de ontwikkeling van de Nederlandse en Europese cartografie vanaf de 16de eeuw zijn samengebracht. Daarnaast biedt de collectie ook een zeer volledig inzicht in de ontwikkelingen die het gezicht van de Nederlandse cartografie in de 19de en 20ste eeuw hebben bepaald. Behalve een verzameling boeken en kaarten, beschikt het KNAG ook over een verzameling etnografische voorwerpen - verzameld tijdens de vele expedities die het Genootschap ondernam -, een verzameling wetenschappelijke instrumenten alsmede een collectie voorwerpen die het Genootschap per legaat zijn nagelaten. Omdat het Genootschap inwonend was en niet beschikte over een eigen gebouw, werden grote delen van deze collecties bij andere instanties ondergebracht. De etnografische voorwerpen werden bijvoorbeeld ondergebracht bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen en de Artisbibliotheek in Amsterdam en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden. Het grootste deel van de instrumenten verzameling werd ter beschikking gesteld aan verschillende expedities die door het KNAG naar Suriname en Indonesië werden uitgezonden.
Diverse uitgaven
Behalve door het opbouwen van een aantal collecties die bedoeld waren om een breed publiek te informeren over de vorderingen binnen de geografische wetenschap in heden en verleden, probeerde het Aardrijkskundig Genootschap door het uitgeven van een eigen tijdschrift de uitwisseling van geografische informatie in de ruimste zin van het woord te bevorderen. Het tijdschrift waarvan in 1874 het eerste deel verscheen, illustreert in dat opzicht heel duidelijk de thema's die in de 19de en 20ste eeuw het gezicht van de Nederlandse geografie bepaalden en de veranderingen die zich daarin voltrokken. Kosten noch moeite werden echter gespaard om die veelzijdige boodschap door illustraties, foto's en een enorm aantal kaartbijlagen zo goed en zo duidelijk mogelijk te visualiseren. Naast het tijdschrift verzorgde het Aardrijkskundig Genootschap ook een grote, zij het onregelmatig verschijnende, reeks wetenschappelijke publicaties. Behalve de onderzoeksverslagen van de eigen wetenschappelijke expedities die behalve in het tijdschrift veelal ook afzonderlijk werden uitgegeven, kunnen genoemd worden de 'Nomina Geographica Neerlandica', die vanaf 1885 deels in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen worden gepubliceerd, en de 'Algemeene Aardrijkskundig Bibliographie van Nederland' die in 1888-1889 verscheen. Daarnaast maakte het Genootschap naam met verschillende cartografische uitgaven: de atlas behorende bij aardrijkskundige beschrijving van Midden-Sumatra (1877-1879), de geologische atlas van Midden-Celebes van E.C. Abendanon (1909-1910), de eerste taalkundige atlas van Nederland van J. te Winkel (1899-1901) en de Atlas van Tropisch Nederland die in 1938 in samenwerking met de Topografische Dienst in Nederlands-Indië werd uitgegeven.
Het uitzenden van expedities
Tot het begin van de jaren zestig heeft het KNAG naam en faam gemaakt met het organiseren van talrijke wetenschappelijke expedities. Vanwege de hoge kosten werden deze expedities niet alleen door het Genootschap zelf bekostigd, maar veelal in samenwerking met de Nederlandse regering en andere onderzoeksinstellingen. Veelal werd ook een beroep gedaan op de beurs van de gewone Nederlander. Het uitsturen van expedities had verschillende redenen. Behalve zuiver nationale motieven - het doen herleven van de Nederlandse ontdekkingen uit de 16de en de 17de eeuw, toen Nederlanders de halve wereld in kaart brachten - wilde men de laatste witte plekken op aarde in kaart brengen en langs deze weg ook de taal, de cultuur en de voortbrengselen van Nederlandse koloniale rijk voor een brede groep belangstellenden te ontsluiten. Anderzijds waren er ook de zuiver economische beweegredenen: het inzicht dat de koloniën in economisch opzicht belangrijke wingebieden waren, waarvan de exploitatiemogelijkheden nog onvoldoende waren benut. Het Aardrijkskundig Genootschap ondersteunde in 1875 de Poolexpeditie die de Nederlandse marine-officier L.R. Koolemans Beijnen aan boord van het Engelse jacht naar de Baffinsbaai ondernam. Deze expeditie vormde de aanleiding voor verschillende andere Nederlandse Poolexpedities die tussen 1878 en 1884 met de schepen de 'Willem Barendts' en de 'Varna' werden uitgevoerd. Tussen 1901 en 1910 rustte het Aardrijkskundig Genootschap zeven expedities naar Suriname uit die vooral tot doel hadden om de geologische rijkdommen van het gebied te verkennen en de exploitatiemogelijkheden daarvan te onderzoeken. De laatste Suriname-expeditie vond plaats in 1926. Het doel van deze tocht was de topografische en natuurwetenschappelijke ontsluiting van het Wilhelmina-gebergte, het centrale en tevens hoogste en meest massieve bergland in Suriname.
De Indonesische Archipel
Het belangrijkste expeditiedoel van het Aardrijkskundig Genootschap vormde evenwel de uitgestrekte Indonesische Archipel, waarvan aan het begin van deze eeuw alleen Java goed en wel was onderzocht. De eerste Indonesische expeditie " richtte zich op Midden-Sumatra (1877-1879). Hoewel de expeditie door tegenslag grotendeels mislukte, blijkt dat geenszins uit het indrukwekkende expeditie-verslag dat tussen 1881 en 1892 in acht delen werd gepubliceerd. Ook Nieuw-Guinea oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht Uit op de wetenschappelijke onderzoekers van het Aardrijkskundig Genootschap. De aandacht ging daarbij vooral uit naar het centrale bergland dat al in 1623 door schipper Jan Carstensz langs de zuidwestkust van het eiland was waargenomen, maar dat sindsdien door geen enkele blanke was gezien. Tussen 1903 en 1959 probeerden verschillende KNAG-expedities vanaf de noord- en zuidkust in het binnenland door te dringen om beetje bij beetje de witte plekken te beschrijven en in kaart te brengen.
Behalve door het uitzenden van eigen expedities, probeerde het Aardrijkskundig Genootschap door het verlenen van subsidies ook andere Nederlandse ontdekkingstochten te ondersteunen. Hierbij denken we met name aan de Karakorum-expedities van Ph.C. Visser en J. Visser-Hooft in de jaren twintig en de 'sportieve' eerste beklimming van de hoogste bergtop in Nieuw-Guinea, de Ngu Pulu, door A.H. Colijn, J.J. Dozy en F .J. Wissel in 1936-1937.
Links
| |
| |
|


