‘New animals’ in Nijmegen
Impressies van de KNAG-lezing van Manuel Castells op 8 oktober 2001 over ‘Local and Global: Cities in the network society’
Guus van Westen
De jaarlijkse KNAG-lezing is een goede traditie binnen geografenland die echter niet altijd veel stof doet opwaaien. Dit jaar is gekozen voor een ambitieuze opzet. In een strategische alliantie met onderzoeksschool Nethur en de Nijmeegse Universiteit werd de befaamde mondialiseringsdenker Manuel Castells gecharterd om een presentatie te houden over zijn lopende onderzoek. Castells, Catalaan van geboorte en gevormd door een langdurig verblijf in Parijs, is hoogleraar sociologie en stedelijke & regionale planning aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Daarnaast houdt hij er zo’n 20 benoemingen op na als ‘visiting professor’ in oorden als Santiago de Chile, Amsterdam, Novosibirsk en Hitotsubashi – wat hem bij uitstek in de gelegenheid moet stellen uit eigen ervaring te putten in zijn werk over mondialisering en de rol van netwerken. Castells heeft sterk de aandacht getrokken als een van de eersten die de betekenis van informatie- en communicatietechnologie (ITC) voor de samenleving ging theoretiseren. In the tweede helft van de jaren ’90 monde dat uit in een trilogie ‘The Information Age’, waarvan vooral het eerste deel (‘The Network Society’, 1996) een standaardwerk is geworden. Een week voor de lezing rolde er bij Oxford University Press alweer een nieuwe Castells van de pers: ‘The Internet Galaxy. Reflections on Internet, Business and Society’. Voor de KNAG-lezing verbond Castells dit thema van de maatschappelijke transformatie onder invloed van technologische vernieuwing en mondialisering met een tweede aandachtveld, waar hij al sinds de jaren ’70 naam mee heeft gemaakt: de analyse van de ruimtelijke transformatie van steden en regio’s. Daarmee droeg de lezing een interdisciplinair karakter met een duidelijke geografische oriëntatie.
Manuel Castells is wat hijzelf ‘an entirely new animal’ zou noemen: een maatschappij-wetenschapper, die met tamelijk theoretische inzichten betreffende de samenleving en een niet al te vlotte pen, een nagenoeg wereldomspannende cult-status heeft verworven. Natuurlijk hebben de sociale wetenschappen hun eerbiedwaardige grondleggers als Weber, Marx, Adam Smith en Von Humbold, lieden die met hun gipsen krulbaarden menige sokkel sieren. En een generatie terug hebben enkele geëngageerde wetenschappers een omvangrijk publiek weten te bereiken met relatief simpele boodschappen over waar het met de samenleving naar toe moest; denk aan een filosoof als Sartre. Maar bij Castells ligt dat toch wat anders. Van hem zijn niet veel aanwijzingen te verwachten voor de weg naar een betere toekomst. Tijdens de KNAG-lezing in Nijmegen op 8 oktober koketteerde hij zelfs met de beperkte beleidsoriëntatie van veel van zijn werk: ‘I never say what to do’ liet Castells weten aan het begin van de vraag-en-antwoord sessie die volgde op de lezing. En even later reageerde hij met ‘Oh no, I never do future. I barely understand the present’ op een vraag naar zijn toekomstverwachtingen. Een verstandig man, zeker, maar niet het gedrag dat je van een goeroe zou verwachten. Ook op andere manieren doet Castells weinig moeite om het zijn publiek gemakkelijk te maken. Zijn manier van formuleren is niet gericht op het serveren van hapklare brokken. Een achteloze verwijzing in een bijzin naar de ‘post-Habermas samenleving’, bijvoorbeeld, zal niet bij voor alle aanwezigen een feest der herkenning hebben opgeleverd. Eigenlijk doet Castells tijdens zijn lezing alles dat niet meer mag blijkens het recente debat over (eerstejaars) hoorcolleges in NRC: hij mompelt een beetje, laat geen enkel plaatje zien, is zuinig met voorbeelden, etaleert zich bepaald niet als de ‘entertainer’ die je volgens de criticasters van Abram de Swaan moet zijn om je boodschap nog kwijt te raken. Een aanstelling in Maastricht (waar dit soort zaken blijkens een ingezonden brief niet meer voorkomen) kan Castells wel op zijn buik schrijven, zoveel is duidelijk. En toch weet hij te boeien. Na een wat houterig begin blijkt de spreker geleidelijk het vuur te krijgen, en realiseer je je dat daar iemand staat die iets te zeggen heeft, een begeesterd man. Ook weet hij te intrigeren door bewust cryptische formuleringen te gebruiken in de trant van ‘living in an urbanised world without cities’. Het woord, de representatie van ideeën in taal, is heel belangrijk bij Castells. Het is een karakteristiek die hij deelt met de postmodernen waarvan hij zich overigens nadrukkelijk distantieert.
Castells is een man van ideeën, iemand die vat op de wereld probeert te krijgen door de dingen te benoemen. ‘Mijn huidige term daarvoor is:....’, zegt hij tot tweemaal toe tijdens zijn verbale strijd met de weerbarstige materie in Nijmegen. Daarbij laat hij zich niet bijzonder veel gelegen liggen aan empirische onderbouwing, al pleit hij nadrukkelijk voor een empirische wetenschaps-beoefening - al was het alleen maar om zich af te zetten tegen de post-moderne neuzelaars die, naar eigen zeggen, hem ertoe hebben gebracht Parijs in te ruilen voor Berkeley. Het is dan ook niet al te moeilijk om zwakke plekken te vinden in zijn omvangrijke werk, waarin hij probeert zulke uiteenlopende verschijnselen als de structuurveranderingen van de Amerikaanse arbeidsmarkt, de strijd tussen Tutsi’s en Hutu’s, de ondergang van de Sovjet-Unie, de opkomst van de Aziatische Tijger-economieën, het Europese integratieproces, de mondialisering van de misdaad, alsmede de milieubeweging en de homo-scene in San Francisco (het is maar een kleine greep uit de trilogie) in een samenhangend verband te plaatsen. Dat er een verband te vinden is tussen al dergelijke verschijnselen als lokale gevolgen van een wereldomspannend proces van technologische en sociale verandering is niet onmiddelijk duidelijk. Dat verband is de grote transformatie die de wereld (volgens Castells en andere mondialiseringstheoretici) ondergaat als gevolg van de overgang naar een ‘informatiesamenleving’, waarin ‘netwerken’ als voornaamste organisatievorm optreden, die mensen opnemen in grotere verbanden, dan wel daarvan uitsluiten. Het ontwikkelen van zo’n theoretische overkoepeling is een tour de force die terecht de aandacht heeft getrokken, in academia en ook daarbuiten. Bij het opstellen van dergelijke meta-theorieën laat men allicht wel wat rafeltjes hangen. Ongetwijfeld bestaan er betere onderzoeken naar ieder van de boven genoemde onderwerpen (en de andere thema’s in Castells’ worstmachine) dan de analyses die hij presenteert in zijn befaamde drieluik ‘The Information Age’. Maar hem daarop afrekenen is wat flauw. Castells bijdrage zit hem in het aanbrengen van structuur, het leggen van verbanden, het conceptualiseren van gemeenschappelijke noemers voor uiteenlopende maatschappelijke fenomenen. Die bijna overmoedige opgave van ‘de wereld van vandaag te verklaren’, spreekt tot de verbeelding, en verklaart waarschijnlijk waarom Castells’ naam in brede kring bekend is geraakt.
In Nijmegen sprak Castells over veranderingen in ruimtelijke structuur die steden ondergaan als gevolg van de ITC-revolutie, mondialisering, en de opkomst van de netwerk-samenleving. Het betoog verloopt volgens een duidelijke opbouw: een overzicht van belangrijke ruimtelijke veranderingen wordt gevolgd door een theoretische interpretatie, waarna enkele problemen (‘issues’) worden aangeduid. Bij wijze van conclusie volgen kort enkele implicaties voor stadsplanning.
Onder de ruimtelijke ontwikkelingen die Castells belicht zijn die van het ontstaan van uitgestrekte en amorfe ‘metropolitan regions’ (‘my current term’) waarin stad, ruraal gebied, centra en periferie gemengd voorkomen. Veranderingen in communicatiepatronen, in sociale organisatie (individualisering –geen Castellsiaanse term overigens-, de netwerksamenleving die mensen functioneel in verband brengt met anderen willekeurig waar, los van lokale samenhang) en de toenemende culturele heterogeniteit van stedelijke bevolkingen leiden, aldus Castells, tot een meervoudige fragmentatie van de stedelijke ruimte, de oorzaak van een stedelijke communicatiecrisis (‘crisis of cities as communicated devices’), het voornaamste onderwerp van de lezing. Er zijn niet voldoende ‘protocollen’ (als in de ITC-terminologie: computertalen) voor communicatie meer aanwezig die de diverse stedelijke bevolkingen gemeenschappelijk hebben. Het falen van de stad als forum voor communicatie is ernstig, omdat het nu juist een klassieke rol van steden is om het lokale in verbinding te brengen met bovenlokale nivo’s. Deze ‘functie’ vormt het eerste element van zijn theoretische interpretatie van de geconstateerde ruimtelijke veranderingen. Het tweede theoretische element heeft betrekking op ‘betekenis’, die wordt gerealiseerd in een spanningsveld tussen individu en collectieve identiteit en instituties. ‘Vorm’, het derde theorie-deeltje, behandelt de opkomst van de ‘spaces of flows’ een ruimtebegrip gedefinieerd door interactiepatronen in netwerken, die gedeeltelijk de plaats heeft ingenomen van de klassieke ‘spaces of places’ van fysieke locaties – een begrippenpaar van Castells dat inmiddels gemeengoed is geworden.
In zijn uitwerking van het probleem van de stedelijke communicatie passeren verschillende aspecten de revue die deels tot de bekende thema’s van Castells behoren. Hij wijst op de betekenis van openbare ruimte als oriëntatiepunt en drager van lokale identiteit in amorfe grootstedelijke gebieden. Bekend is zijn visie op de stad als ‘theme-park’, waarbij de openbare ruimte wordt omgevormd tot een commercieel product voor individuele consumptie, hetgeen de authentieke ‘experience’ uitholt – denk aan een stad als Venetië dat onder de druk van de toeristenindustrie steeds meer gaat lijken op een replica van zichzelf in de trant van Las Vegas. Een belangrijke rol wordt ook toegekend aan het lokale bestuur. Enerzijds constateert Castells een toenemende vervaging tussen concrete ruimte enerzijds en beheersinstanties anderzijds in de ‘metropolitan region’, anderzijds ziet hij mogelijkheden voor het lokale bestuursniveau (het meest nabije knooppunt in de ‘netwerkstaat’ voor de burger) om een positieve bijdrage te leveren aan het herstel van de stad als communicatie-middel.
Zoals valt te verwachten bracht het slot van de lezing niet een kant en klaar recept voor het overwinnen van de stedelijke crisis. Al gaf Castells enkele suggesties, zoals de positieve rol die de openbare ruimte kan vervullen, zowel voor de duiding van de fysieke ruimte (‘space of places’), als om een gemeenschappelijk ontmoetingspunt te bieden aan groepen en individuen van verschillende achtergrond. Ook participatieve vormen van lokaal bestuur bieden volgens hem mogelijkheden tot het slaan van communicatie-bruggen
Na de lezing volgde een kort co-referaat van de Amsterdamse emeritus-hoogleraar Herman van der Wusten. Hij signaleerde o.a. enkele lacunes in het betoog van Castells, zoals wat betreft de politieke aspecten, m.n. op het niveau van de nationale staat, en de betekenis van migratie (bij uitstek een fenomeen van mondialisering en netwerken). Na zijn reactie op Van der Wusten besteedde Castells ongeveer een uur aan het beantwoorden van vragen uit de goedgevulde aula van de KUN.
Al met al bood de KNAG-lezing ons niet het gereedschap om de volgende dag aan een nieuwe betere wereld te gaan werken – zoals een klassieke goeroe dat misschien zou hebben geprobeerd. Maar dat was nauwelijks wat we ervan verwachtten. Wel bood het de aanwezigen voldoende stof tot nadenken, en een zeker instrumentarium om de behoorlijk ingewikkelde realiteit van onze wereld iets beter te duiden.
Literatuur
Een aangepaste versie van de KNAG-lezing van Castells wordt waarschijnlijk in de vorm van een artikel gepubliceerd in TESG (Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie) in de loop van 2002.
- Het opus magnum van Castells is ongetwijfeld zijn trilogie: The information age: economy, society and culture. Uitgegeven door Blackwell, Oxford. De delen zijn los of gezamenlijk in een casette verkrijgbaar: deel 1, The rise of the network society (1996), deel 2, The power of identity (1997), deel 3, End of millennium (1998).
- Onlangs is verschenen, bij Oxford University Press:
Castells, Manuel (2001): The Internet Galaxy. Reflections on Internet, Business and Society. - Het oktobernummer (2001) van ‘Geografie’ bevat een handzaam overzicht van het werk van Manuel Castells van de hand van Ton van Naerssen (‘De wereld volgens Castells’, pp. 32-38). Hetzelfde nummer bevat ook een toepassing van Castells’ begrippen op het concrete probleem van de MKZ-crisis door Henk van Houtum (‘De koe als offerdier van de netwerksamenleving’, pp. 39-41).
Een aangepaste versie van de KNAG-lezing van Castells wordt waarschijnlijk in de vorm van een artikel gepubliceerd in TESG (Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie) in de loop van 2002.
